Platform Modernisering Strafvordering

Pmsv

Rubrieken

De deskundige in het gemoderniseerde Wetboek van Strafvordering01/2020

Mr. dr. R.A. Hoving
Trefwoorden: deskundige, technisch opsporingsambtenaar, modernisering Strafvordering, benoeming, schriftelijke stukken

    De modernisering van het Wetboek van Strafvordering biedt de mogelijkheid om aan de slag te gaan met de vragen en problemen inzake de inschakeling van deskundigen in het strafproces en het toezicht op het functioneren van deze deskundigen. In dit artikel wordt aandacht besteed aan de vraag in hoeverre enkele problemen die in de literatuur zijn benoemd, worden opgelost door de voorgestelde veranderingen van de regels over (1) de afbakening van het begrip deskundige, (2) de inschakeling van deskundigen en (3) het gebruik van deskundigenbewijs.

Mr. dr. R.A. Hoving

Mr. dr. R.A. (Rolf) Hoving is universitair docent straf- en strafprocesrecht Rijksuniversiteit Groningen.

De procesinleiding02/2020

Het goede moment voor regie

Prof. mr. J.M. Reijntjes
Trefwoorden: moderne techniek, voorzittersbeslissing, dagbepaling, betekening, doorlooptijd

    De door de minister beoogde procesinleiding dreigt het aantal betekeningen sterk te verhogen. Verder blijven zijn voorstellen binnen de vertrouwde kaders; veel mogelijkheden van de moderne techniek worden onbenut gelaten.

Prof. mr. J.M. Reijntjes

Prof. mr. J.M. (Jan) Reijntjes is emeritus hoogleraar strafrecht aan de Open universiteit Nederland en de Universiteit van Curaçao, en lid van de Commissie Modernisering Wetboek van Strafvordering.

Herstelbeslissingen in het nieuwe Wetboek van Strafvordering nader beschouwd02/2020

Prof. dr. R.C.P. Haentjens
Trefwoorden: Modernisering Wetboek van Strafvordering, Herstelbeslissingen door lagere rechter en Hoge Raad, Verbeteren en aanvullen van rechterlijke beslissingen na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting, Gesloten stelsel en concentratie van rechtsmiddelen, Herstelbeslissingen door de Hoge Raad

    De voorstellen tot modernisering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering betreffen onder meer nieuwe bepalingen aangaande herstelbeslissingen door de strafrechter na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting. De voorstellen codificeren voor een groot gedeelte de reeds tot ontwikkeling gekomen jurisprudentie. Nieuw is het gemarkeerde onderscheid tussen het aanbrengen van verbeteringen en het aanvullen van de rechterlijke beslissing. Dit onderscheid werkt door in de uitwerking wat betreft de procedurele bevoegdheden van de bij het strafproces betrokken partijen: de strafrechter, de Officier van Justitie, de verdachte, de benadeelde partij en in het voorkomende geval de (voogd van de) minderjarige. De voorgestelde nieuwe regeling roept vragen op met betrekking tot de beginselen van concentratie en geslotenheid van rechtsmiddelen. Tevens vraagt de regeling voor de aanvulling nadere bezinning: tot welk moment is aanvulling toegelaten met het oog op het aanweneden van rechtsmiddelen? De vraag is gerechtvaardigd of de regeling zoals voorgesteld niet nog eens kritisch moet worden bezien. In het hierna volgende artikel wordt die vraag bevestigend beantwoord.

Prof. dr. R.C.P. Haentjens

Prof. dr. R.C.P. (Rijnhard) Haentjens was vicepresident van het Gerechtshof Amsterdam en is emeritus hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.

Een inhoudelijk kompas voor een uit koers geraakte voorlopigehechtenispraktijk03/2020

Mr. N. Hajjari
Trefwoorden: voorlopige hechtenis, onschuldpresumptie, ultimum remedium, theoretische grondslagen

    In dit artikel zal een inhoudelijk en operationeel normatief kader worden geformuleerd voor de toepassing van voorlopige hechtenis, waarbij de focus ligt op het zo veel mogelijk reduceren van het percentage onschuldigen dat aan het vrijheidsbenemende dwangmiddel wordt blootgesteld. Doel van de bijdrage is het inspireren van de wetgever om het moderniseringsproject te baat te nemen om de voorlopigehechtenisregeling grondig(er) te hervormen.

Mr. N. Hajjari

Mr. N. (Nordin) Hajjari is recent afgestudeerd in het strafrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Heimelijke toepassing van openlijke bevoegdheden02/2020

Prof. mr. T. Blom
Trefwoorden: recht op privacy, handschriftonderzoek en stemvergelijkend onderzoek, vingerafdruk, inbeslagneming van voorwerpen, DNA-onderzoek

    In het nieuwe wetboek worden ‘nieuwe’ opsporingsbevoegdheden geïntroduceerd die normaal gesproken openlijk worden toegepast maar straks ook heimelijk mogen worden ingezet. Het betreft het vergelijkend vingerafdrukken- en handpalmonderzoek, het handschrift- en stemvergelijkend onderzoek, inbeslagneming van voorwerpen en de inzet van daartoe strekkende steunbevoegdheden, het bij gelegenheid van een doorzoeking of betreden van plaatsen overnemen van gegevens en het bevel tot verstrekken van gegevens. In het artikel wordt aangegeven dat de invoering van deze bevoegdheden noodzakelijk en ook wenselijk is, waarbij de wettelijke regeling bovendien voldoet aan de eisen die daaraan door het EHRM worden gesteld. Het voordeel van codificatie is bovendien dat waar het nu vaak om een ongeregelde praktijk gaat, door codificatie duidelijk wordt onder wiens gezag de toepassing van de bevoegdheid valt en aan welke voorwaarden moet zijn voldaan voordat de bevoegdheid mag worden toegepast.

Prof. mr. T. Blom

Prof. mr. T. (Tom) Blom is hoogleraar Straf(proces)recht aan de Universiteit van Amsterdam.