Platform Modernisering Strafvordering

Pmsv

Archief

Platform Modernisering Strafvordering

Het kan u niet zijn ontgaan dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid bezig is met de grootste wetgevingsoperatie van deze eeuw tot nu toe: de modernisering van het Wetboek van Strafvordering. Het is een onderneming die haar weerga in het strafrecht in ieder geval niet kent sinds de introductie van het huidige Wetboek van Strafvordering in 1926.
Lees verder

Recente artikelen

Schikken of beschikken?01/02/2019

Buitengerechtelijke afdoening van grote en bijzondere strafzaken in een gemoderniseerd Wetboek van Strafvordering

Mr. dr. E. Sikkema en Mr. dr. W.S. de Zanger
Trefwoorden: buitengerechtelijke afdoening, transactie, strafbeschikking, modernisering Wetboek van Strafvordering

    In deze bijdrage onderwerpen auteurs de voorstellen voor een gemoderniseerde regeling van buitengerechtelijke afdoening, zoals deze op hoofdlijnen zijn uiteengezet in de beleidsreactie van de minister van Justitie en Veiligheid op de evaluatie van de Wet OM-afdoening, aan een kritische analyse (par. 3). Eerst komen de twee vormen van buitengerechtelijke afdoening: de transactie van artikel 74 Sr (par. 2) en de strafbeschikking, aan bod: de huidige praktijk daarvan en de kritiek die daarop bestaat. Vervolgens komen de plannen ter modernisering van het Wetboek van Strafvordering aan de orde. Besproken worden de aangekondigde wijzigingen in de regeling van de transactie en de strafbeschikking. De belangrijkste voorstellen worden nader beschouwd in het licht van de wetenschappelijke discussie over hoge transacties en de wenselijkheid van rechterlijke toetsing daarvan. Tot slot wordt een eigen standpunt geformuleerd ten aanzien van de toekomstige regeling van buitengerechtelijke afdoening in het gemoderniseerde wetboek.

Mr. dr. E. Sikkema

Mr. dr. E. (Eelke) Sikkema is als universitair docent verbonden aan het Utrecht Centre for Accountability and Liability Law en het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen, Universiteit Utrecht. Vanaf 1 november 2018 is hij gedetacheerd bij de Afdeling advisering van de Raad van State.

Mr. dr. W.S. de Zanger

Mr. dr. W.S. (Wouter) de Zanger is als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan het Utrecht Centre for Accountability and Liability Law en het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen, Universiteit Utrecht. Deze bijdrage is op persoonlijke titel geschreven

Wettelijk overgangsrecht en rechterlijke anticipatie ter zake van het gemoderniseerde Wetboek van Strafvordering01/02/2019

Mr. M.J. Borgers en Prof. mr. T. Kooijmans
Trefwoorden: overgangsrecht, anticipatie, rechterlijke anticipatie, modernisering strafvordering

    De inwerkingtreding van het gemoderniseerde Wetboek van Strafvordering zal gepaard gaan met vragen van overgangsrechtelijke aard. Op dit moment heeft de minister nog niet voorzien in overgangsrecht. In deze bijdrage wordt besproken hoe de contouren van dat overgangsrecht eruit zouden kunnen zien. Daarnaast wordt de vraag besproken in hoeverre de rechter, voorafgaand aan de inwerkingtreding, kan anticiperen op het gemoderniseerde wetboek bij de uitleg van de huidige wettelijke bepalingen.

Mr. M.J. Borgers

Mr. M.J. Borgers is raadsheer in de Hoge Raad.

Prof. mr. T. Kooijmans

Prof. mr. T. Kooijmans is hoogleraar straf(proces)recht aan Tilburg University.

Modernisering Strafvordering: de bevoegdheden met betrekking tot het lichaam en het ongemotiveerd uithollen van waarborgen01/02/2019

Mr. dr. S. Brinkhoff
Trefwoorden: opsporing, ernstige bezwaren, strafvorderlijk onderzoek in en aan het lichaam, DNA-onderzoek, modernisering strafvordering

    In het zesde hoofdstuk van Boek 2 van het concept-Wetboek van Strafvordering staan de strafvorderlijke bevoegdheden centraal die betrekking hebben op het lichaam. Voor een groot deel zijn de thans bestaande bevoegdheden samengebracht in één hoofdstuk en worden er maar een paar nieuwe bevoegdheden gecreëerd. In dit artikel wordt belicht dat tamelijk geruisloos en bovendien eenzijdig vanuit het perspectief van opsporingsbelangen op een aantal plekken de geldende waarborgen worden verminderd. Betoogd wordt dat daar niet te lichtvaardig toe moet worden overgaan. Zeker niet zonder deugdelijke onderbouwing en zeker niet bij bevoegdheden die een forse inbreuk maken op de lichamelijke integriteit van een verdachte burger. Het laten vervallen van de eis van het bestaan van ernstige bezwaren is in dit opzicht de meest fundamentele voorgestelde wijziging. Op dit punt verdient het de voorkeur dat de voorstellen van de wetgever worden bediscussieerd en zo nodig worden bijgestuurd.

Mr. dr. S. Brinkhoff

Mr. dr. S. Brinkhoff is als universitair hoofddocent straf(proces)recht verbonden aan de Open Universiteit.

De positie van ouders in het nieuwe Wetboek van Strafvordering vanuit Europese wetgeving bezien01/02/2019

N.U. van Capelleveen
Trefwoorden: jeugdstrafprocesrecht, modernisering Wetboek van Strafvordering, Richtlijn (EU) 2016/800, ouders, recht op een eerlijk proces

    In het conceptwetsvoorstel tot vaststelling van Boek 6 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering wordt veel aandacht besteed aan de positie van ouders in het jeugdstrafproces. Bij het opstellen van deze bepalingen heeft de wetgever de tekst van Richtlijn (EU) 2016/800 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure niet meegenomen, terwijl deze richtlijn belangrijke waarborgen bevat om te verzekeren dat jeugdige verdachten hun recht op een eerlijk proces kunnen uitoefenen. In dit artikel wordt nader ingegaan op de voorgestelde bepalingen rondom de positie van ouders in het conceptwetsvoorstel en wordt onderzocht in hoeverre deze positie in overeenstemming is met de Europese richtlijn.

N.U. van Capelleveen

N.U. van Capelleveen is masterstudent Jeugdrecht en student-assistent afdeling Jeugdrecht aan de Universiteit Leiden.

De elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen: kanttekeningen bij een betrekkelijk nieuwe regeling01/12/2018

Drs. J.W. van Wetten
Trefwoorden: elektronische betekening, e-betekening, Wetboek van strafvordering, Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, Berichtenbox, Berichtenbox app, akte van uitreiking

    De auteur concludeert dat wanneer de huidige regeling van de e-betekening in ongewijzigde vorm in Hoofdstuk 9 van Boek 1 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering zou worden opgenomen en in werking zal treden, niet verwacht mag worden dat deze in de praktijk enige toegevoegde waarde zal hebben. Bovendien kan worden geconcludeerd dat de regeling dermate techniekafhankelijk is geformuleerd dat deze in de weg staat aan de toepassing van een handige en gebruikersvriendelijke voorziening als de Berichtenbox app. Wenselijk is de regeling te herzien met als vertrekpunt dat het elektronisch ontvangen van gerechtelijke kennisgevingen geen geheel vrijblijvende aangelegenheid is voor de justitiabele. Het invoeren van een verplichting tot elektronische ontvangst voert wellicht te ver. Voorgesteld wordt aan een eenmaal gegeven instemming voor het elektronische ontvangen van gerechtelijke kennisgevingen de consequentie te verbinden dat de verzending van een kennisgeving door het Openbaar Ministerie voldoende is om een betekening in persoon aan te nemen. Dat zal het geval kunnen zijn indien de werking van de te gebruiken voorziening een grote mate van zekerheid biedt dat de kennisgeving de juiste persoon bereikt, dat – behoudens de mogelijkheid van een verstoring – de aan de persoon verzonden kennisgeving (doordat hij hiervan langs verschillende kanalen wordt genotificeerd) de persoon niet zal kunnen ontgaan en dat de verzending op bij wet voorschreven wijze wordt gelogd en in machinaal gegenereerde standaardverklaringen wordt vastgelegd opdat de rechter – mocht dit nodig zijn – de e-betekening kan controleren.

Drs. J.W. van Wetten

Drs. J.W. van Wetten is beleidsadviseur bij het ministerie van Justitie en Veiligheid. Deze bijdrage is op persoonlijke titel geschreven.