Platform Modernisering Strafvordering

Pmsv

Bijdrage leveren aan het Platform?

Gevolgen bijzondere wetgeving

Ook buiten het Wetboek van Strafvordering zijn in diverse wetten heel belangrijke bepalingen van strafprocessuele aard te vinden. Hoe de verhouding tussen de generieke bepalingen uit het WvSv zich verhouden tot die bijzondere bepalingen is lang niet altijd duidelijk. De regels in de bijzondere wetten willen ook nog wel eens strijden met de algemene strafvorderlijke uitgangpunten. Zo kan ingevolge kan in het kader van opsporing op de voet van de Wet Wapens en Munitie 1997 een bevel tot uitlevering wél aan de verdachte worden gegeven. Wij zijn op zoek naar een auteur die kan reflecteren op de vraag of bij de modernisering van het WvSv ook grondig moet worden bezien hoe strafvordering daarbuiten zich met dat (nieuwe) wetboek zal (dienen te) verhouden.

De landelijke bevoegdheid van de officier van justitie

In de consultatieversie van Boek 1 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering is voorgesteld te bepalen dat de officier van justitie zijn bevoegdheden in het gehele land kan uitoefenen. Aanvullend zijn instructienormen voorgesteld, zoals de norm dat de officier van justitie bij een arrondissementsparket zich bij de uitoefening van zijn bevoegdheden richt op strafbare feiten waarvan de rechtbank in het arrondissement kennis neemt. De landelijke bevoegdheid komt in de plaats van de constructie waarin officieren van justitie van rechtswege plaatsvervanger zijn bij de andere parketten. Aanleiding voor het voorstel is de invoering van landelijke parketten, de introductie in het nieuwe wetboek van een ander vervolgingsbegrip, en de wens van het openbaar ministerie om steeds meer als één organisatie te opereren. We zijn op zoek naar een auteur die deze voorstellen zou willen beoordelen. Zijn de landelijke bevoegdheid met aanvullende instructienormen een verbetering ten opzichte van de manier waarop de bevoegdheid van de officier van justitie en de verhouding tot de relatieve bevoegdheid van de rechtbank nu is geregeld?

Het generieke bevel

In de consultatieversie van Boek 2 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (onderdeel opsporing in een digitale omgeving) is voorgesteld het mogelijk te maken om de bevoegdheid om gegevens te vorderen van derden, uit te voeren op basis van een zogenaamd “generiek” bevel. De bedoeling is dat als in het opsporingsonderzoek bijvoorbeeld tien autoverhuurbedrijven of banken worden bevraagd, met één bevel kan worden volstaan en er geen tien afzonderlijke hoeven te worden gegeven.
We zijn op zoek naar een auteur die dit voorstel vanuit zowel een wetssystematische als een praktische invalshoek zou willen beoordelen. Hoe verhoudt een generiek bevel zich tot het uitgangspunt dat strafvorderlijke bevelen die zijn gericht tot derden of die een derde of de verdachte betreffen, normaal gesproken zijn geïndividualiseerd? In hoeverre zal het probleem waarvoor een generiek bevel een oplossing biedt, zich in het digitale tijdperk waarin het nieuwe wetboek gaat functioneren, nog voordoen?