Platform Modernisering Strafvordering

Pmsv

Een voorzet voor de modernisering van het jeugdstrafprocesrecht in lijn met het IVRK en met oog voor de knelpunten in de praktijk

Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Mr. dr. J. uit Beijerse en Mr. C.L. van der Vis, 'Een voorzet voor de modernisering van het jeugdstrafprocesrecht in lijn met het IVRK en met oog voor de knelpunten in de praktijk', Platform Modernisering Strafvordering 2019-7, p.
  • 1 Inleiding

    Deze zomer is het vijf jaar geleden dat minister Opstelten de aftrap gaf voor het wetgevingstraject ‘Modernisering Wetboek van Strafvordering’. Hij vergeleek het bestaande wetboek met een lappendeken waarin het verband soms ver te zoeken is. Sinds de invoering in 1926 zouden er ruim driehonderd wijzigingen in zijn aangebracht: honderd in de eerste ruim zestig jaar, honderd in nog geen twintig jaar daarna en nog eens ruim honderd in de tien jaar tot het congres.1xToespraak van minister Opstelten (VenJ) bij de opening van het Congres Modernisering Wetboek van Strafvordering op 19 juni 2014 in Amersfoort. Een vergelijkbaar patroon is te zien bij het jeugdstrafprocesrecht. Deze bepalingen zijn twee keer, in 1965 en 1995, herzien als onderdeel van een integrale herziening van het jeugdstrafrecht met een gedegen voorbereiding door een daarvoor ingestelde Staatscommissie.2xIn 1965 met de invoering van de Wet van 9 november 1961, Stb. 1961, 402, voorbereid door de commissie-Overwater (Rapport van de commissie ingesteld met het doel van advies te dienen over de vraag in welke richting het rijkstucht- en opvoedingswezen en in verband daarmee het kinderstrafrecht zich zullen moeten ontwikkelen, 1951) en in 1995 met de invoering van de Wet van 7 juli 1994, Stb. 1994, 528, voorbereid door de commissie-Anneveldt (Commissie herziening strafrecht voor jeugdigen, Sanctierecht voor jeugdigen, 1982). Zie nader: J. uit Beijerse, Jeugdstrafrecht. Beginselen, wetgeving en praktijk, Apeldoorn/Antwerpen: Maklu 2019, p. 23-30. De laatste tien jaar volgden de wijzigingen in het jeugdstraf(proces)recht elkaar echter in hoog tempo op met steeds een andere aanleiding waardoor er niet meer altijd zicht is op het verband daartussen. In 2008 werd als gevolg van het nieuw gevoerde beleid rond jeugdcriminaliteit3xJeugd Terecht. Actieprogramma voor de aanpak van de jeugdcriminaliteit voor de jaren 2003-2006; Kamerstukken II 2002/03, 28741, 1. de Wet gedragsbeïnvloeding jeugdigen ingevoerd met als doel de toepassing van gedragsinterventies te stimuleren.4xWet van 20 december 2007, Stb. 2007, 575, ingevoerd op 26 maart 2008 bij Besluit van 22 januari 2008, Stb. 2008, 24. In 2011 kregen het slachtoffer en de nabestaanden toegang tot de besloten terechtzitting en kwam er een verschijningsplicht voor de ouders van de jeugdige verdachte met als doel de positie van het slachtoffer te versterken.5xWet van 17 december 2009, Stb. 2010, 1, ingevoerd op 1 januari 2011 bij Besluit van 13 juli 2010, Stb. 2010, 291. In datzelfde jaar werd bij een andere wet de PIJ-maatregel met een jaar voorwaardelijke beëindiging verlengd om daarmee te voorzien in verplichte begeleiding van jongeren na detentie.6xWet van 13 december 2010, Stb. 2010, 818, ingevoerd op 1 juli 2011 bij Besluit van 15 juni 2011, Stb. 2011, 296. Eveneens noemenswaardig is de Wet Adolescentenstrafrecht die in 2014 werd gepresenteerd als de wet die het mogelijk maakt om een jeugdsanctie op te leggen aan 18- tot 23-jarigen, maar tevens nog een reeks andere wijzigingen met zich meebracht die vooral een verscherping van het jeugdstrafrecht tot doel leken te hebben: de uitsluiting van de kale taakstraf bij bepaalde misdrijven, de mogelijkheid om ook bij jeugdigen gebruik te maken van elektronisch toezicht, het schrappen van de al lang bestaande mogelijkheid om de PIJ-maatregel als opvoedmaatregel op te leggen en de invoering van de mogelijkheid tot omzetting van de PIJ-maatregel naar de tbs-maatregel.7xWet van 27 november 2013, Stb. 2013, 485, ingevoerd op 1 april 2014 bij Besluit van 20 januari 2014, Stb. 2014, 33. Daarnaast zijn er vele wijzigingen in de algemene regeling van het strafprocesrecht voor volwassenen doorgevoerd die ook van toepassing zijn op jeugdigen zonder dat de wetgever zich daar expliciet rekenschap van heeft gegeven. Een voorbeeld daarvan vormt de DNA-wetgeving8xD. Moerman, ‘DNA-afname bij jeugdigen: noodzakelijk in een democratische samenleving?’, PROCES 2010/3, p. 165-176. die recent door het VN-Mensenrechtencomité als strijdig met artikel 17 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) werd aangemerkt, omdat daarin te weinig rekening is gehouden met de bijzondere positie van jeugdige verdachten en veroordeelden.9xUnited Nations Human Rights Committee (International Covenant on Civil and Political Rights) 18 January 2018, N.K. v. The Netherlands, CCPR/C/120/D/2326/2013/Rev. 1.
    Het is dan ook een wijze beslissing om het Wetboek van Strafvordering te moderniseren en de uitgangspunten weer duidelijk voor het voetlicht te brengen in een wetboek dat logisch en voor de burger inzichtelijk is ingedeeld. Het is ook toe te juichen dat de minister in de Contourennota voorop stelt de modernisering van het jeugdstrafprocesrecht conform de uit het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) voortvloeiende eisen vorm te willen geven, gericht op de in de praktijk gesignaleerde knelpunten.10xKamerstukken II 2015/16, 29279, 278 (Contourennota), p. 4, 95-97. Er liggen nu echter twee conceptwetsvoorstellen ter herziening van dezelfde jeugdtitel, die slechts vierentwintig artikelen bevat. Naast het conceptwetsvoorstel met het oog op de modernisering van het jeugdstrafprocesrecht in het nieuwe Boek 6,11xVoorstel van wet tot vaststelling van Boek 6 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering betreffende de bijzondere regelingen (Vaststellingswet Boek 6 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (bijzondere regelingen)). is in januari 2019 tevens het wetsvoorstel ter implementatie van de EU-Richtlijn betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure (hierna: EU-Richtlijn)12xKamerstukken II 2018/19, 35116, 2. ingediend. Gezien het doel van de modernisering een enigszins ongelukkige situatie. Een apart implementatievoorstel is nodig omdat de EU-richtlijn al in juni 2019 moet zijn geïmplementeerd en de Nederlandse regering moet kunnen aantonen dat en hoe dat is gebeurd. In dat licht is het te rechtvaardigen dat de aanpassingen in dit implementatievoorstel beperkt zijn. De modernisering zelf kan dan echter wel, zoals ook was aangekondigd in de Contourennota, breder worden ingestoken waarbij de nu in de wet opgenomen bepalingen worden doorgelicht met het oog op het IVRK, maar ook met het oog op de EU-Richtlijn.
    Omdat dat in het voorliggende conceptwetsvoorstel voor het nieuwe Boek 6 nog onvoldoende is gebeurd, willen we in deze bijdrage een voorzet doen om de modernisering van het jeugdstrafprocesrecht nog meer in lijn te brengen met de uit het IVRK voortvloeiende eisen en met oog voor de in de praktijk gesignaleerde knelpunten, waarbij we ons tevens laten inspireren door de EU-Richtlijn. Daartoe zal in de volgende paragraaf allereerst aandacht worden besteed aan de plaats van het jeugdstrafprocesrecht in het voorgestelde wetboek (par. 2). Vervolgens zal een aparte paragraaf worden gewijd aan de buitengerechtelijke afdoening door het Openbaar Ministerie die in jeugdstrafzaken vanouds een bijzondere positie heeft en de eisen die daaraan worden gesteld in het licht van het IVRK (par. 3). Daarna worden diverse knelpunten in de Nederlandse jeugdstrafprocespraktijk belicht die, mede geïnspireerd door de in de EU-Richtlijn opgenomen procedurele waarborgen voor jeugdige verdachten, nadere uitwerking verdienen in het voorliggende wetsvoorstel (par. 4). In de laatste paragraaf zullen we de in deze bijdrage gedane voorstellen voor de modernisering van het jeugdstrafprocesrecht kort samenvatten (par. 5).

  • 2 De plaats van het jeugdstrafprocesrecht in het wetboek

    Het Nederlandse jeugdstrafprocesrecht bestaat ruim een eeuw en kwam in de wet met de invoering van de Strafrechtelijke Kinderwet in 1905.13xWet van 6 februari 1901, Stb. 1901, 62. Dat gebeurde doordat verspreid over het wetboek veertien nieuwe artikelen werden ingelast en twintig leden aan bestaande artikelen werden toegevoegd. De belangrijkste afwijkingen die door de toenmalige minister van Justitie Cort van der Linden waren geformuleerd, zijn opmerkelijk modern en bijna een eeuw later vrijwel allemaal opgenomen in het IVRK en in de genoemde EU-richtlijn. Zo werd de jeugdige verdachte direct na het eerste verhoor een advocaat toegevoegd die alle verhoren, ook die van getuigen, kon bijwonen en tevens vrij toegang had tot de aangehouden jeugdige verdachte. Ook de ouders of voogd hadden recht op vrije toegang en het recht om alle verhoren bij te wonen. Tevens werd de mogelijkheid geboden om het bevel tot voorlopige hechtenis ten uitvoer te laten leggen in de ouderlijke woning of de instelling waar de jeugdige verbleef. Er werd standaard informatie ingewonnen over de persoonlijke omstandigheden om een op de persoon van de jeugdige gerichte beslissing te nemen. De jeugdstrafzitting was besloten met de mogelijkheid van bijzondere toegang en de jeugdige was verplicht om te verschijnen. Tot slot had de rechter diverse mogelijkheden om de vervolging onder voorwaarden te schorsen, waarbij werd gedacht aan de situatie waarin een kinderbeschermingsmaatregel zinvoller was dan een straf.14xKamerstukken II 1899/1900, 31, 9, p. 47-51.
    Dat er aparte regels zijn voor het jeugdstrafprocesrecht sluit aan bij artikel 40 lid 3 aanhef IVRK waarin staat dat verdragsstaten een apart jeugdstrafrecht tot stand moeten brengen met speciale wetten en procedures. Het VN-Kinderrechtencomité, dat de bepalingen nader heeft toegelicht in General Comment nr. 10, stelt het aan de lidstaten zelf te willen overlaten hoe ze dat doen: in aparte hoofdstukken van het algemene straf- en strafprocesrecht, een aparte wet of een apart jeugdwetboek.15xUN Committee on the Rights of the Child, General Comment nr. 10, Children’s rights in juvenile justice, 25 April 2007, CRC/C/GC/10. (hierna: General Comment nr. 10), par. 90-91. In het huidige Wetboek van Strafvordering, dat dateert van 1926, werden de in 1905 over het wetboek verspreide strafvorderlijke jeugdbepalingen bijeen geplaatst in het Vierde Boek, getiteld ‘Enige rechtsplegingen van bijzondere aard’, onder titel II ‘Strafvordering in zaken betreffende jeugdige personen’. Het doel van het bijeenbrengen van de bepalingen was om een beter overzicht te krijgen en de betekenis van de afwijkingen beter te laten uitkomen.16xKamerstukken II 1913/14, 286, 3, p. 161-162. Het nadeel daarvan is wel dat de wetgever er daardoor niet altijd meer zichtbaar aan wordt herinnerd dat, tenzij in de jeugdtitel anders is bepaald, de overige bepalingen van het wetboek onverkort van toepassing zijn op jeugdigen en zich daar dan ook niet altijd rekenschap van geeft bij wetswijzigingen, zoals het in de inleiding aangehaalde voorbeeld van de DNA-wetgeving. Om dat effect uit te sluiten zou een apart wetboek voor jeugdigen in het leven moeten worden geroepen naar voorbeeld van het Duitse Jugendgerichtsgesetz (JGG), waarvoor ook werd gepleit door de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ),17xRSJ, Advies Het jeugdstrafproces: toekomstbestendig!, Den Haag 2011, p. 50. maar dat lijkt in het kader van het huidige traject Modernisering Strafvordering niet realistisch.
    Tegenover het inrichten van een apart wetboek voor jeugdigen is het plaatsen van de regeling van het strafprocesrecht voor zo’n belangrijke en grote categorie verdachten in het ‘rariteiten’-Boek 6 echter wel het andere uiterste. In het voorliggende voorstel is de jeugdtitel opnieuw opgenomen in het Boek waarin een variëteit aan bijzondere regelingen is opgenomen en ditmaal is dat niet het Vierde Boek, maar Boek 6. Het is het boek waarin de wraking en verschoning van rechters, de ontnemingsmaatregel en het beklag tegen inbeslagneming is geregeld. Een verbetering is wel dat titel 1.1 Jeugdigen en jongvolwassenen nu aan het begin van Boek 6 is geplaatst onder een apart hoofdstuk 1 Voorzieningen vanwege de persoon van de verdachte. De jeugdige verdachten staan daarin voorop, gevolgd door verdachten met een psychische stoornis en andere bijzondere categorieën verdachten zoals rechtspersonen, rechterlijke ambtenaren en personen als bedoeld in artikel 76 Wet op de rechterlijke organisatie. Deze categorieën onderscheiden zich weliswaar door de bijzondere persoon van de verdachte, maar de jeugdige verdachten (en in die zin ook de psychisch gestoorde verdachten) onderscheiden zich nu juist vanwege de bijzondere bescherming vanwege de persoon van de verdachte. Er is alle reden om het jeugdstrafprocesrecht een prominentere plaats in het wetboek te geven. Het gaat hier om een categorie verdachten die veel aandacht heeft van de beleidsmakers en volgens de laatste cijfers gaat het ook om een relatief grote groep verdachten. In 2017 waren 28.600 van de 245.000 geregistreerde verdachten jonger dan achttien jaar.18xS.N. Kalidien (red.), Criminaliteit en Rechtshandhaving 2017, Den Haag: WODC 2018, p. 82 en 85. Dat is dus twaalf procent voor een groep die slechts zes levensjaren (twaalf tot achttien jaar) vertegenwoordigt. De doelgroep neemt daarbij toe met elke verdachte van 18 tot 23 jaar die richting het jeugdstrafprocesrecht wordt geleid.
    De nu voorgestelde titel is iets meer gestructureerd dan de bestaande titel. De gekozen indeling wordt echter niet toegelicht en lijkt wat onevenwichtig. De eerste afdeling, 6.1.1.1, draagt het opschrift De rol van de ouder en de overige drie afdelingen zijn ingedeeld per leeftijdscategorie. De tweede afdeling, 6.1.1.2 Verdachten die ten tijde van het strafbare feit nog niet de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, bestaat uit maar twee artikelen, namelijk de bepaling dat de verdachten tot die leeftijd niet kunnen worden vervolgd en de bepaling welke dwangmiddelen dan desondanks wel kunnen worden toegepast, de huidige artikelen 486 en 487 Sv. Ook de vierde afdeling, 6.1.1.4 Verdachten die ten tijde van het strafbare feit de leeftijd van achttien jaar maar nog niet die van drieëntwintig jaar hebben bereikt, bestaat slechts uit twee artikelen, die nieuw zijn. De overige artikelen uit de huidige jeugdtitel – voor zover ze zijn gehandhaafd, grofweg de artikelen 488 tot en met 498 Sv – zijn te vinden in de derde afdeling, 6.1.1.3 Verdachten die ten tijde van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt, de categorie verdachten waar het jeugdstrafprocesrecht in de eerste plaats op is gericht. Deze derde afdeling is dan ook veel langer dan de andere en onderverdeeld in drie paragrafen: paragraaf 6.1.1.3.1 Het opsporingsonderzoek, paragraaf 6.1.1.3.2 Afzien van vervolging en vervolging door strafbeschikking en paragraaf 6.1.1.3.3 Berechting.
    Er zijn geen algemene uitgangspunten in de regeling opgenomen en ook in de toelichting wordt daar weinig over opgemerkt. Wel wordt daar vermeld dat Nederland op grond van artikel 40 IVRK is gehouden tot de inrichting van een afzonderlijk jeugdstrafprocesrecht met als doel de jeugdige te ondersteunen bij de verwezenlijking van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.19xVaststellingswet Boek 6 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (bijzondere regelingen), MvT, p. 17. Omdat het recht op een eerlijk proces bij jeugdigen anders wordt ingevuld dan bij volwassenen, zou het in aanvulling op de codificatie van dat beginsel in Boek 1 dan ook logisch zijn om de jeugdtitel te beginnen met de jeugdgerichte invulling van het beginsel van fair trial. Daarbij kan worden gedacht aan een formulering zoals het VN-Kinderrechtencomité die hanteert:

    ‘De jeugdige verdachte moet in staat worden gesteld om effectief te participeren in het strafproces in een atmosfeer van begrip waarbij hij de verdenking en de mogelijke consequenties moet kunnen overzien en in staat moet worden gesteld zich vrijelijk te uiten.’20xGeneral Comment nr. 10, par. 46.

  • 3 Een jeugdgerichte regeling van de buitengerechtelijke afdoening

    Nieuw is dat de nu in de artikelen 77e en 77f Sr geregelde vormen van buitengerechtelijke afdoening bij jeugdigen via Halt en het Openbaar Ministerie in de nieuwe jeugdtitel zijn opgenomen in paragraaf 6.1.1.3.2 Afzien van vervolging en vervolging door strafbeschikking. De verplaatsing van deze regelingen naar het Wetboek van Strafvordering is verdedigbaar aangezien het om vervolgingsbeslissingen gaat. De wijze waarop de regeling is ingericht, brengt echter nog onvoldoende tot uitdrukking dat de buitengerechtelijke afdoening in jeugdstrafzaken een heel andere betekenis heeft dan bij volwassenen. In artikel 40 lid 3 sub b IVRK is het beginsel opgenomen dat jeugdstrafzaken waar mogelijk en passend, buitengerechtelijk moeten worden afgedaan mits de mensenrechten en wettelijke garanties volledig worden gerespecteerd. Volgens het VN-Kinderrechtencomité moet in jeugdstrafzaken de buitengerechtelijke afdoening de gevestigde praktijk zijn, omdat deze benadering betere resultaten heeft en daarmee in het belang is van de publieke veiligheid en cost-effective terwijl tevens stigmatisering kan worden voorkomen. De wettelijke garanties waaraan moet zijn voldaan, zijn dat specifiek moet zijn bepaald in welke zaken deze afdoening mogelijk is, dat er compelling evidence moet zijn dat de jeugdige het feit waarvan hij wordt verdacht, heeft begaan, dat de jeugdige freely and voluntarily verantwoordelijkheid erkent zonder toepassing van intimidatie of druk en in vrijheid en vrijwillig schriftelijk toestemming heeft gegeven nadat hij adequaat en specifiek is geïnformeerd over de aard, inhoud en duur van de maatregel en over de gevolgen van het niet goed meewerken, uitvoeren en voltooien daarvan. De bevoegdheden van de beslissende instanties moeten zijn geregeld en de jeugdige moet de gelegenheid hebben om rechtsbijstand of andere passende bijstand te zoeken. De laatste en wellicht belangrijkste eis is dat de voltooiing moet resulteren in een definitieve sluiting van de zaak zonder een aantekening in de justitiële documentatie.21xGeneral Comment, nr. 10, par. 24-27.
    De buitengerechtelijke afdoening van jeugdstrafzaken kent een lange geschiedenis. In de Evaluatie van de Wet OM-afdoening wordt gemeld dat ook bij volwassenen de transactie al vanaf 1921 bestaat,22xD. Abels e.a., Evaluatie Wet OM-afdoening, Amsterdam: WODC 2018, p. 5. maar die was tot 1983 uitsluitend bedoeld voor overtredingen waarop een geldboete was gesteld om bij lichte overtredingen geldboetes gemakkelijk te kunnen innen.23xD. Hazewinkel-Suringa, Inleiding tot de studie van het Nederlandse strafrecht, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1964, p. 339-340. Pas in 1983 werd het bij volwassenen mogelijk om bij misdrijven een transactie aan te bieden en ook die bleef aanvankelijk beperkt tot het betalen van een geldbedrag.24xWet van 31 maart 1983, Stb. 1983, 153. Bij jeugdigen konden echter van oudsher ook misdrijven buitengerechtelijk worden afgedaan en dat gebeurde niet in de eerste plaats door de betaling van een geldboete, maar door een berisping of een aanbod tot begeleiding. Hiermee werd reeds in 1896 gestart toen advocaten van de vereniging Pro Juventute afspraken gingen maken met de officier van justitie om de strafrechtelijke vervolging van jeugdigen tot achttien jaar te vervangen door begeleiding door een ‘patroon’ van deze vereniging, de latere gezinsvoogden. In 1922 kreeg de officier van justitie de wettelijke bevoegdheid om bij alle misdrijven al dan niet voorwaardelijk van vervolging af te zien. In dat kader ontstond in de praktijk het ‘parketstandje’, een persoonlijk gesprek met de officier van justitie op het parket. In het geval dat er een voorwaarde werd gesteld, was de officier van justitie wettelijk gedwongen daarover te overleggen met de kinderrechter. Vanaf 1954 kreeg ook de Raad voor de Kinderbescherming een rol en ontstond het ‘driehoeksoverleg’, een soort vooroverleg over de buitengerechtelijke afdoening die tot 1995 heeft bestaan, de voorloper van ZSM. Vanaf de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw werden bij jeugdigen ook werk- en leerprojecten toegepast in het kader van het ‘officiersmodel’, lang voordat dit bij volwassenen mogelijk werd. Dit officiersmodel is in 1995 in artikel 77f Sr geregeld als aanvullende regeling op de transactie.25xZie uitgebreider over deze achtergrond: Uit Beijerse 2019, p. 25, 27-28, 73-76, 86-87.
    Deze in artikel 77f Sr voor jeugdigen opgenomen aanvullende voorwaarden bij de algemene regeling van de transactie in artikel 74 Sr bestonden uit het uitvoeren van een werk- of leerproject van maximaal veertig uur en begeleiding door een jeugdhulpinstelling voor maximaal zes maanden. Het ‘parketstandje’ werd in de meeste parketten vervangen door speciale zittingen onder leiding van een officier van justitie of parketsecretaris die met de jeugdige in aanwezigheid van de ouders en in veel gevallen een toegevoegde advocaat in gesprek ging over het strafbare feit en na afloop seponeerde of een transactievoorstel deed. In 2008, bij de invoering van de Wet OM-afdoening, werd de formulering in artikel 77f Sr echter plotsklaps vervangen door een formulering die aansluit bij de strafbeschikking terwijl die voor jeugdigen in verband met de gefaseerde invoering nog niet werd toegepast en nog steeds is beperkt tot geldboetes. Als gevolg daarvan wordt nu al ruim tien jaar tijdens de vele OM-zittingen voor jeugdigen (soms Tommi-zittingen genoemd) in het land gewerkt met bepalingen die niet meer in de wet staan. De enige wettelijke basis is de algemene regeling van de transactie in artikel 74 Sr, maar daarin komt een specifieke jeugdvoorwaarde als begeleiding door de jeugdreclassering niet voor en ontbreekt ook de beperking van de leer- en werkprojecten tot veertig uur. In 2017 accepteerden 3.310 jeugdige verdachten van misdrijven een transactie en werden er 375 strafbeschikkingen in de vorm van een geldboete uitgevaardigd.26xKalidien 2018, figuur 5.4 en 5.12.
    Gezien dit in de praktijk bestaande probleem, namelijk dat in de praktijk wordt gewerkt op basis van een wettelijke bepaling die niet meer bestaat, wekt het bevreemding dat in het voorgestelde artikel 6.1.1.3.2.2, dat artikel 77f Sr moet vervangen, zonder daar overwegingen aan te wijden, opnieuw de formulering van de strafbeschikking is opgenomen. Ook minister van Justitie en Veiligheid Grapperhaus, die in december 2018 naar aanleiding van de Evaluatie van de Wet OM-afdoening aankondigde dat het streven erop is gericht om vanaf 1 januari 2021 ook de taakstraffen aan jeugdigen in de vorm van een strafbeschikking op te leggen,27xKamerstukken II 2018/19, 29279, 278. gaat daar geheel aan voorbij. Zijn voornemen is ook gebaseerd op een evaluatie waarin, wellicht juist omdat de strafbeschikking nog niet is ingevoerd voor taakstraffen, in het geheel geen onderzoek is gedaan naar de wet en praktijk in jeugdstrafzaken.28xD. Abels e.a., Evaluatie Wet OM-afdoening, Amsterdam: Rozenburg Publishers 2018. Een dergelijk onderzoek is wel nodig, aangezien er in de praktijk grote verschillen lijken te bestaan in de werkwijze tijdens die zittingen, en de herziening van de regeling dus tevens had moeten worden aangegrepen om deze OM-zittingen voor jeugdigen een wettelijke basis te geven en meer uniform te regelen.29xJ. uit Beijerse, ‘Creativiteit en rechtsbescherming bij de buitengerechtelijke afdoening van jeugdstrafzaken’, in: C. Forder (red.), Rechterlijke creativiteit en de rechten van het kind, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2013, p. 81-94. Ook hier lijkt dus weer sprake te zijn van een blinde vlek waar het gaat om de achtergrond, regeling en praktijk van het jeugdstrafprocesrecht.
    Gelet op de bijzondere positie van de buitengerechtelijke afdoening bij jeugdigen, die een ander doel en karakter heeft dan bij volwassenen, is er alle reden om de transactie te herstellen en de strafbeschikking niet verder uit te breiden dan nu het geval is, namelijk beperkt tot geldboetes. Hoewel ook bij de strafbeschikking instemming nodig is als het om een taakstraf gaat (vgl. art. 257c Sv), blijft het een eenzijdige beslissing met een strafkarakter, wat ook tot uitdrukking komt in de gebruikte termen als ‘taakstraf’. Bij jeugdigen moet de buitengerechtelijke afdoening echter een pedagogische invulling hebben, wat het beste kan geschieden door middel van een indringend gesprek met de jeugdige over het strafbare feit en de aanleiding daarvoor, waarna de officier van justitie of parketsecretaris enige flexibiliteit moet hebben in de mogelijkheden om daar opvolging aan te geven. Op die manier wordt beter invulling gegeven aan het voornemen het jeugdstrafprocesrecht in lijn te brengen met het IVRK. In dat kader zou het opschrift ‘Afzien van vervolging en vervolging door strafbeschikking’ dan ook beter kunnen worden vervangen door ‘Buitengerechtelijke afdoening’ en de paragraaf moeten aanvangen met het uit het IVRK en de eigen rechtsgeschiedenis voortvloeiende uitgangspunt daarvoor: ‘Jeugdstrafzaken worden, waar passend en wenselijk, buitengerechtelijk afgedaan met inachtneming van de hierna omschreven waarborgen. Voltooiing daarvan resulteert in een definitieve sluiting van de zaak.’
    Vanwege het belang dat de buitengerechtelijke afdoening resulteert in een definitieve sluiting van de zaak, is dat als onderdeel van het uitgangspunt opgenomen. De modernisering biedt de gelegenheid om te regelen dat een transactie bij een jeugdige verdachte niet langer in de weg staat aan het verkrijgen van een VOG, net als bij de Halt-afdoening. Dit voorstel brengt deze afdoening in lijn met het IVRK en hoeft niets te kosten, terwijl het de administratieve lasten vermindert en meer kansen op stages en werk oplevert voor jeugdigen die op deze wijze met justitie in aanraking zijn gekomen.

  • 4 In de EU-richtlijn opgenomen waarborgen als inspiratie voor de Nederlandse regeling

    4.1 Het regelen van de jeugdspecialisatie

    De in 2016 vastgestelde EU-Richtlijn Procedurele waarborgen jeugdige verdachten is bedoeld om een minimumniveau van bescherming van minderjarige verdachten in de Europese Unie te waarborgen in het kader van de internationale samenwerking.30xRichtlijn (EU) 2016/800 van 11 mei 2016, PbEU 2016, L 132; M.A.H. Kempen & J. uit Beijerse, ‘De EU-Richtlijn procedurele waarborgen minderjarige verdachten en het Nederlandse jeugdstrafprocesrecht’, NtEr 2016/7, p. 230-236. De meeste van de daarin opgenomen waarborgen zijn ook terug te vinden in het Wetboek van Strafvordering, maar waar het daar vaak om impliciete rechten gaat, zijn ze in de EU-Richtlijn veel meer geformuleerd als expliciete rechten of zijn ze in de formulering al meer praktisch uitgewerkt.31xJ. uit Beijerse, ‘De vormgeving van procedurele waarborgen voor jeugdige verdachten in Nederland en de Europese Unie’, in: P.A.M. Verrest & S. Struijk (red.), De invloed van de Europese Unie op het strafrecht. Landelijke Strafrechtsdag 2016, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 61-71. Daarmee kunnen ze als belangrijke inspiratiebron dienen voor de voorliggende herziening van het jeugdstrafprocesrecht.
    Een voorbeeld van een waarborg die meer praktisch is uitgewerkt dan in de Nederlandse wet, is artikel 20 van de EU-richtlijn waarin per beroepsgroep wordt benadrukt dat het werken met kinderen specialisatie vereist. Het eerste lid bepaalt:

    ‘De lidstaten zorgen ervoor dat rechtshandhavingsinstanties en het personeel van detentiecentra dat te maken krijgt met zaken waarbij kinderen betrokken zijn een specifieke, op hun omgang met kinderen afgestemde opleiding volgen inzake de rechten van kinderen, geschikte verhoortechnieken, kinderpsychologie en taalgebruik dat is aangepast aan het kind.’


    In de volgende leden van het artikel zijn vergelijkbare bepalingen opgenomen met betrekking tot rechters, officieren van justitie en advocaten. Ten aanzien van al deze beroepsgroepen wordt expliciet de eis gesteld dat ze specifieke vaardigheden hebben op dat gebied, of toegang moeten hebben tot een specifieke opleiding. Ten aanzien van de advocaten wordt opgemerkt dat passende maatregelen moeten worden genomen om aan te moedigen dat advocaten die jeugdstrafzaken behandelen, een dergelijke specifieke opleiding krijgen.
    Bepalingen met betrekking tot de specialisatie dienen ook een plaats te krijgen in de Nederlandse regeling van het jeugdstrafprocesrecht. De RSJ heeft dat ook geadviseerd, namelijk om het stellen van kwaliteitseisen voor functionarissen binnen politie, het OM en de rechterlijke macht die ten aanzien van jongeren beslissingen nemen of handelingen uitvoeren, in de wet te verankeren.32xRSJ, Advies Conceptwetsvoorstellen Wetboek van Strafvordering Boek 3 t/m Boek 6, Den Haag 2018. Buiten de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering, die specifiek voor jeugdigen zijn ingericht, wordt alleen het specialisme kinderrechter in de wet genoemd, maar zonder enige omschrijving van wat dit specialisme zou moeten inhouden. In de praktijk is dan ook gebleken dat er ruimte is om die functie uit te bouwen, zoals tot 1995 het geval was met de speciale bureaus Kinderrechter, maar ook om die nauwelijks invulling te geven, zoals kort na de herziening van 1995 het geval was, wat diverse malen tot Kamervragen leidde.33xO.a. vragen van het lid M.M. van der Burg (PvdA) over de problemen bij de kinderrechtspraak, met name de positie en functie van kinderrechter, Kamerstukken II 1997/98, Aanhangsel van de Handelingen, 527, p. 1077-1078. Omdat ook vanuit de rechterlijke macht weer steeds meer de noodzaak werd gevoeld om de behandeling van jeugdstrafzaken te kunnen afstemmen op de behandeling van jeugdbeschermingszaken en dus te specialiseren,34xS. Verberk & K. Fuhler, De positionering van de jeugdrechter, Den Haag: Raad voor de rechtspraak 2006. zijn er uiteindelijk weer jeugdteams ontstaan, maar niet omdat de wet tot specialisatie dwingt. Een ander belangrijk specialisme, zoals de jeugdofficier van justitie, is in het geheel niet in de wet geregeld terwijl die in jeugdstrafzaken van oudsher een belangrijke rol heeft. De invulling van dit specialisme is geheel aan de organisatie zelf overgelaten en met de recente ontwikkelingen rond ZSM dreigt dit specialisme weer onder te sneeuwen. Hetzelfde geldt voor de jeugdpolitie en de jeugdrechtadvocaat.35xZie ook: Uit Beijerse 2019, p. 34-36, 40-41. De modernisering en de implementatie van de EU-richtlijn bieden dan ook een goed moment om de bestaande specialisaties in de wet te verankeren en te omschrijven wat deze moeten inhouden. Dat sluit ook aan bij artikel 40 lid 3 aanhef IVRK, namelijk dat het streven van de verdragsstaten erop moet zijn gericht een apart jeugdstrafrecht tot stand te brengen met speciale autoriteiten en instellingen.

    4.2 Een wettelijke termijn voor de berechting in jeugdstrafzaken

    Een ander knelpunt dat zich in de praktijk voordoet en waarvoor de EU-richtlijn opnieuw stof tot nadenken biedt, is het uitgangspunt van een spoedige berechting. Die is samen met de eis van zorgvuldigheid opgenomen in het eerste lid van artikel 13 van de richtlijn: ‘De lidstaten nemen alle passende maatregelen om ervoor te zorgen dat strafprocedures waarbij kinderen betrokken zijn, met spoed en de nodige zorgvuldigheid worden behandeld.’
    In 2001 zijn in Nederland normen voor de doorlooptijden in jeugdstrafzaken vastgesteld, de zogenoemde Kalsbeeknormen. Deze zijn ook opgenomen in de ‘Richtlijn en Kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten Halt’ die gelden voor het Openbaar Ministerie. Daarin staat dat het vonnis in eerste aanleg binnen zes maanden na het eerste verhoor door de politie moet zijn gewezen.36xRichtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten Halt d.d. 30 mei 2018, Stcrt. 2018, 29497, par. 6. In de praktijk lukt het echter in de helft van de zaken niet om aan deze norm te voldoen. Daarbij heeft ook de Hoge Raad deze norm nog niet overgenomen, maar met verwijzing naar artikel 6 EVRM in diverse arresten geoordeeld dat zestien maanden een redelijke termijn is bij jeugdigen. De huidige sanctionering die de Hoge Raad hanteert als de redelijke termijn is overschreden, te weten strafvermindering, zet de praktijk ook niet tot actie aan. De gespecialiseerde kinderrechters in de rechtbanken namen gezien de veel strengere eisen in het IVRK en de Kalsbeeknormen wel in diverse zaken aan dat het Openbaar Ministerie niet meer ontvankelijk was in de vervolging.37xR. El Hassaini & Y. Taghi, ‘Een onredelijke termijn en dan? Redelijke termijn in jeugdstrafzaken nader beschouwd’, FJR 2013/93, p. 298-304. Advocaat-generaal Spronken stelde in 2015 cassatie in het belang der wet in waarin ze de Hoge Raad beide vragen voorlegde, te weten de vraag of het standpunt dat een overschrijding van de redelijke termijn in jeugdstrafzaken niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM kan leiden, moet worden heroverwogen, en de vraag of de termijn van zestien maanden zou moeten worden bekort.38xConclusie A-G Spronken, ECLI:NL:PHR:2015:1295, bij HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2465. De Hoge Raad beantwoordde beide vragen ontkennend en hield daarmee dus vast aan de eerder ingenomen standpunten.39xHR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2465, NJ 2016/40. Het arrest ondervond veel kritiek in kringen van jeugdrechtspecialisten40xO.a. M.R. Bruning, ‘Redelijke termijn en de Hoge Raad: kinderrechtenverlies’, FJR 2015/53. en bracht een Amsterdamse kinderrechter ertoe een column te schrijven met de veelzeggende titel ‘De Hoge Raad heeft niets met kinderen (en het IVRK)’.41xR. van de Water, ‘De Hoge Raad heeft niets met kinderen (en het IVRK)’, Ivoren Toga 6 oktober 2015.
    De voorliggende modernisering biedt het uitgelezen moment om de stap te zetten om de door de ketenpartners afgesproken norm van zes maanden in de wet te regelen. Deze termijn wordt ook genoemd door het VN-Kinderrechtencomité in General Comment nr. 10 bij het IVRK:

    ‘The Committee, conscious of the practice of adjourning court hearings, often more than once, urges the States parties to introduce the legal provisions necessary to ensure that the court/juvenile judge or other competent body makes a final decision on the charges not later than six months after they have been presented.’42xGeneral Comment nr.10, par.83.


    Als dit voor de wetgever te ver gaat, zou daarbij ook een onderscheid kunnen worden gemaakt naar soorten strafzaken en zou voor de gecompliceerdere strafzaken die veel onderzoek vergen of ernstige feiten waar slachtoffers bij zijn betrokken, de door de Hoge Raad gehanteerde maximumtermijn voor de redelijke termijn in jeugdstrafzaken van zestien maanden kunnen worden opgenomen.
    Als er heldere wetgeving komt met duidelijke vastgestelde termijnen waarbij de overschrijding daarvan door de rechter wordt gesanctioneerd op een wijze die de praktijk aanzet tot beleidswijzigingen, zal dat naar verwachting tevens een positief effect hebben op de aanpak van de ‘plankzaken’, die nu bij gebrek aan prioriteit worden weggelegd. Het zou de praktijk dwingen om voor die zaken naar andere, snellere oplossingen te zoeken waarbij kan worden gedacht aan doorverwijzing naar een herstelbemiddelingstraject waarmee vaak voor alle partijen bevredigender resultaten kunnen worden bereikt dan een rechtszitting die enkele jaren na het strafbare feit plaatsvindt.

    4.3 Schrappen van de mogelijkheid tot openbare behandeling

    Een derde in de praktijk ervaren knelpunt dat aandacht verdient in het kader van de herziening van het jeugdstrafprocesrecht, is de mogelijkheid om jeugdstrafzaken in het openbaar te behandelen. In het eerste lid van artikel 14 van de EU-richtlijn is het uitgangspunt neergelegd dat in het jeugdstrafprocesrecht de persoonlijke levenssfeer wordt beschermd: ‘De lidstaten zorgen ervoor dat de persoonlijke levenssfeer van kinderen tijdens strafprocedures wordt beschermd.’
    Daartoe dienen de lidstaten te bepalen dat rechtszittingen waarbij kinderen betrokken zijn, in de regel achter gesloten deuren plaatsvinden of bieden ze rechtbanken of rechters de mogelijkheid te besluiten om de behandeling van dit soort zaken achter gesloten deuren te laten plaatsvinden. Dit sluit aan bij het tweede lid van artikel 13 van de EU-richtlijn waarin jeugdige verdachten expliciet het recht wordt toegekend altijd te worden behandeld op een wijze die hun waardigheid beschermt en die past bij hun leeftijd, rijpheid en begripsvermogen, rekening houdend met hun bijzondere behoeften, waaronder mogelijke communicatieproblemen en waartoe de lidstaten passende maatregelen moeten nemen. Dezelfde beginselen zijn opgenomen in het IVRK. Volgens artikel 40 sub b onder vii IVRK moet het privéleven van de jeugdige volledig worden geëerbiedigd tijdens alle stadia van het proces. Dit heeft volgens het VN-Kinderrechtencomité tot doel het stigmatiserende effect van de berechting en bestraffing te vermijden en de mogelijke impact daarvan op de veiligheid van de jeugdige of op zijn vermogen om toegang te krijgen tot onderwijs, werk en huisvesting te minimaliseren. Voorkomen moet worden dat de jeugdige schade wordt toegebracht door negatieve publiciteit en dat er informatie wordt gepubliceerd die kan leiden tot zijn identificatie. Persberichten over jeugdstrafzaken moeten worden beperkt tot zeer uitzonderlijke zaken en journalisten die de privacy van een jeugdige schenden, moeten disciplinair en waar nodig strafrechtelijk worden gesanctioneerd. Uitzonderingen op de besloten berechting moeten beperkt zijn en duidelijk in de wet worden omschreven. Bij de uitspraak, die wel openbaar is, moet erop worden gelet dat de identiteit van de jeugdige niet wordt onthuld.43xGeneral Comment nr. 10, par. 64, 66-67, Uit Beijerse 2019, p. 161-163.
    Binnen het Nederlandse jeugdstrafrecht werd al in 1905 gekozen voor een besloten behandeling met de mogelijkheid van bijzondere toegang. Minister van Justitie Cort van der Linden lichtte dat destijds als volgt toe:

    ‘Het terechtgestelde kind mag niet worden gemaakt tot het voorwerp van spotlust en plagerij van zoovelen die de openbare terechtzittingen bijwonen enkel uit een verkeerde nieuwsgierigheid, uit een verlangen om vooral het slechte in den mensch te zien, uit een zucht naar schandaal.’44xHandelingen II 1899/1900, 82e vergadering, 12 juni 1900, p. 1707-1708.


    Hoewel het argument van Cort van der Linden meer dan een eeuw oud is, is het door hem genoemde gevaar van sensatielust en stigmatisering actueler dan ooit. Bij mediagevoelige strafzaken lijken veel kranten, tijdschriften, radio- en tv-programma’s het niet alleen als hun taak te zien een verslag van de bekende feiten te geven, maar lijkt er ook een onderlinge strijd te worden gevoerd om als eerste nieuws te melden dat nog nergens anders is gemeld of om alvast een verklaring te geven voor de strafbare feiten. Sinds 1995 is naast de bijzondere toegang in het tweede lid van artikel 495b Sv de mogelijkheid opgenomen om een volledig openbare behandeling te gelasten en deze bepaling ondervond vanaf de invoering veel kritiek omdat deze op gespannen voet staat met het IVRK.45xM.J.M. Verpalen, Het strafprocesrecht voor jeugdigen. Aantekeningen bij een bijzondere procedure, Arnhem: Gouda Quint 1991, p. 62-63 en H.J.J. Talsma, ‘In alle openheid? De openbare behandeling van jeugdstrafzaken in het licht van het Kinderrechtenverdrag’, FJR 2006, p. 15, 18. Mijnarends merkte op dat het IVRK zich weliswaar niet expliciet uitlaat over de openbaarheid, maar dat de bescherming van de privacy in combinatie met de aanwezigheidsplicht van de jeugdige die kan worden afgeleid uit het participatierecht tot de conclusie kan leiden dat beslotenheid uitgangspunt moet zijn.46xE.M. Mijnarends, ‘De betekenis van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind voor het Nederlandse jeugdstrafrecht’, FJR 2001, p. 306.
    De mogelijkheid van een volledig openbare behandeling is in het conceptwetsvoorstel zonder enige toelichting overgenomen in het tweede lid van artikel 6.1.1.3.3.3 dat in de plaats komt van artikel 495b Sv.

    ‘De rechter gelast ambtshalve of op vordering van de officier van justitie een openbare behandeling van de zaak indien naar zijn oordeel het belang van de openbaarheid van de zitting zwaarder moet wegen dan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, de medeverdachte, de ouder of het slachtoffer.’


    Er wordt zelden gebruik van gemaakt, maar alleen al de mogelijkheid zorgt ervoor dat de vraag of dat moet gebeuren bij elke mediagevoelige jeugdstrafzaak wordt opgeworpen en daardoor bij voorbaat al voor veel publieke discussie rond de zaak zorgt. De vraag is echter welk belang wordt gediend met een volledig openbare behandeling. In de meeste zaken waarin een jeugdstrafzaak in het openbaar werd behandeld, zorgde de media-aandacht, nog los van de vraag of de jeugdige nog wel effectief kon participeren, ervoor dat de met de openbare behandeling beoogde doelen niet werden bereikt. In de zaak van de zogenoemde ‘Facebook-moord’47xRb. Arnhem 3 september 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BX6328 (Facebookmoord 14-jarige). was het argument ‘dat het voor iedereen van belang was om te begrijpen hoe deze moord, die de samenleving ernstig had geschokt, had kunnen plaatsvinden’. De jongste verdachte, die veertien was op het moment van het plegen van het feit en vijftien jaar toen hij terechtstond, klapte in de grote rechtszaal met een volle publieke tribune met journalisten echter volledig dicht. Ook de zeventienjarige medeverdachte, die een verhaal had voorbereid, durfde niets meer te zeggen en keek uit schaamte gedurende de hele zitting naar beneden naar zijn tafel, sprak zacht en maakte een nerveuze, bijna bange, indruk. Het belang om door middel van de openbare behandeling inzicht te geven in het handelen van de verdachten werd dus geenszins gediend, terwijl er voor de jeugdige verdachten ook geen sprake was van een fair trial in de zin van effectief aan het proces kunnen deelnemen in een atmosfeer van begrip. Deze zaak staat niet op zichzelf. Er zijn diverse andere mediagevoelige jeugdstrafzaken geweest waar de druk vanuit de media werd opgevoerd om een zaak in het openbaar te behandelen.48xUit Beijerse 2019, p. 176-179.
    Een volledig openbare behandeling doet zozeer afbreuk aan het hoofdbeginsel van effectieve participatie in een sfeer van begrip dat deze nooit te rechtvaardigen is en uit de wet zou moeten worden geschrapt. Het is ook niet nodig nu er de mogelijkheid is van bijzondere toegang en het slachtoffer, in het wetsvoorstel aangeduid als spreekgerechtigde, sinds 2011 standaard toegang heeft tot de terechtzitting. Het schrappen van deze bepaling hoeft niets te kosten, maar levert waarschijnlijk alleen maar winst op omdat het scheelt in de lasten die gepaard gaan met de organisatie van door de media bezochte zittingen, nog los van wat het oplevert voor de jeugdige verdachte en zijn kansen voor de toekomst. De herziening biedt tevens het moment om wettelijke criteria op te nemen voor de bijzondere toegang of voor het weigeren van de toegang van het slachtoffer bij bepaalde onderdelen, zoals die er zijn voor de beslissing om een uitzondering te maken op de openbare behandeling in volwassenenzaken in artikel 269 Sv. Dit dwingt er ook toe de beslissing en motivering in het vonnis op te nemen waarmee zichtbaar wordt wat de gronden voor weigering zijn zodat daar in de rechtszaal discussie over kan worden gevoerd.49xJ. uit Beijerse & R.S. Bouw, ‘Naar een duidelijk geregelde regierol van de rechter bij de toelating van slachtoffers en journalisten tot de besloten jeugdstrafzitting’, Strafblad 2015/38, p. 253-260.

  • 5 Besluit

    In deze bijdrage zijn aanvullende voorstellen gedaan voor de modernisering van het jeugdstrafprocesrecht in lijn met de eisen die daar in het licht van het IVRK aan worden gesteld en met oog voor de knelpunten die zich voordoen in de praktijk. Voor de regeling zelf is bepleit om deze een meer prominente plaats in het wetboek te geven dan nu is gebeurd in het ‘rariteiten’-Boek 6. Argumenten die daartoe zijn aangevoerd, zijn het relatief grote aandeel jeugdige verdachten en het belang dat aan deze groep wordt gehecht door de beleidsmakers, evenals het belang van een grotere zichtbaarheid van dit onderdeel van het strafprocesrecht om er bij elke herziening alert op te blijven dat veel wetswijzigingen die in het algemene strafprocesrecht worden doorgevoerd, ook voor jeugdigen gelden. Voorgesteld is tevens om de regeling vooraf te laten gaan door de jeugdgerichte invulling van het ook voor volwassenen gecodificeerde beginsel van fair trial, namelijk dat de jeugdige verdachte in staat moet worden gesteld om effectief te participeren in het strafproces in een atmosfeer van begrip waarbij hij de verdenking en de mogelijke consequenties moet kunnen overzien en in staat moet worden gesteld zich vrijelijk te uiten.
    Vervolgens is aandacht besteed aan de lange traditie van ruim een eeuw buitengerechtelijke afdoening van door jeugdigen gepleegde misdrijven die veel verder ging en een heel ander karakter had dan de buitengerechtelijke afdoening van misdrijven bij volwassen verdachten, die tamelijk recent, sinds 1983, is opgekomen en een geheel ander doel heeft. De Nederlandse traditie sluit ook aan bij het uitgangspunt van het IVRK dat jeugdstrafzaken waar mogelijk en passend buitengerechtelijk moeten worden afgedaan mits wordt voldaan aan wettelijke garanties. In deze bijdrage is voorgesteld om dat uitgangspunt in de wet te verankeren en de aanvullende bepalingen voor de transactie bij jeugdigen, die in 2008 abrupt en onterecht zijn vervangen door de formulering van de strafbeschikking, weer te herstellen en daarmee de wet in overeenstemming te brengen met de praktijk en te regelen dat deze afdoening, net als de Halt-afdoening, niet in de weg staat aan het verkrijgen van een VOG. Met betrekking tot de beleidsreactie op de Evaluatie van de Wet OM-afdoening dat ernaar wordt gestreefd om in 2021 ook de taakstraffen aan jeugdigen in de vorm van een strafbeschikking op te leggen, is opgemerkt dat deze reactie niet is gestoeld op onderzoek aangezien in de genoemde evaluatie geen onderzoek is gedaan naar de Nederlandse wet en praktijk van de OM-zittingen bij jeugdigen. Ook hier lijkt er dus sprake te zijn van een blinde vlek.
    Tot slot zijn enkele in de wet en praktijk ervaren knelpunten benoemd die, mede geïnspireerd door de waarborgen in de EU-richtlijn, nader uitwerking behoeven in het voorliggende wetsvoorstel. Het gaat daarbij om een wettelijke verankering van de jeugdspecialisatie en de inhoud daarvan, het wettelijk regelen van een termijn voor de berechting van jeugdstrafzaken en het schrappen van de mogelijkheid om jeugdstrafzaken volledig openbaar te behandelen nu er voldoende andere mogelijkheden zijn om slachtoffers, nabestaanden en journalisten toegang te verschaffen en deze bepaling op gespannen voet staat met het recht op een effectieve participatie in een atmosfeer van begrip. Het is belangrijk dat de lappendeken van bepalingen die sinds 1926 is ontstaan, niet alleen wordt opgelapt, maar daadwerkelijk wordt vervangen door een modern jeugdstrafprocesrecht met een overkoepelende visie die voor de praktijk werkbaar is, voldoet aan de behoeften bij het publiek en aansluit bij het IVRK.

Noten

  • 1 Toespraak van minister Opstelten (VenJ) bij de opening van het Congres Modernisering Wetboek van Strafvordering op 19 juni 2014 in Amersfoort.

  • 2 In 1965 met de invoering van de Wet van 9 november 1961, Stb. 1961, 402, voorbereid door de commissie-Overwater (Rapport van de commissie ingesteld met het doel van advies te dienen over de vraag in welke richting het rijkstucht- en opvoedingswezen en in verband daarmee het kinderstrafrecht zich zullen moeten ontwikkelen, 1951) en in 1995 met de invoering van de Wet van 7 juli 1994, Stb. 1994, 528, voorbereid door de commissie-Anneveldt (Commissie herziening strafrecht voor jeugdigen, Sanctierecht voor jeugdigen, 1982). Zie nader: J. uit Beijerse, Jeugdstrafrecht. Beginselen, wetgeving en praktijk, Apeldoorn/Antwerpen: Maklu 2019, p. 23-30.

  • 3 Jeugd Terecht. Actieprogramma voor de aanpak van de jeugdcriminaliteit voor de jaren 2003-2006; Kamerstukken II 2002/03, 28741, 1.

  • 4 Wet van 20 december 2007, Stb. 2007, 575, ingevoerd op 26 maart 2008 bij Besluit van 22 januari 2008, Stb. 2008, 24.

  • 5 Wet van 17 december 2009, Stb. 2010, 1, ingevoerd op 1 januari 2011 bij Besluit van 13 juli 2010, Stb. 2010, 291.

  • 6 Wet van 13 december 2010, Stb. 2010, 818, ingevoerd op 1 juli 2011 bij Besluit van 15 juni 2011, Stb. 2011, 296.

  • 7 Wet van 27 november 2013, Stb. 2013, 485, ingevoerd op 1 april 2014 bij Besluit van 20 januari 2014, Stb. 2014, 33.

  • 8 D. Moerman, ‘DNA-afname bij jeugdigen: noodzakelijk in een democratische samenleving?’, PROCES 2010/3, p. 165-176.

  • 9 United Nations Human Rights Committee (International Covenant on Civil and Political Rights) 18 January 2018, N.K. v. The Netherlands, CCPR/C/120/D/2326/2013/Rev. 1.

  • 10 Kamerstukken II 2015/16, 29279, 278 (Contourennota), p. 4, 95-97.

  • 11 Voorstel van wet tot vaststelling van Boek 6 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering betreffende de bijzondere regelingen (Vaststellingswet Boek 6 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (bijzondere regelingen)).

  • 12 Kamerstukken II 2018/19, 35116, 2.

  • 13 Wet van 6 februari 1901, Stb. 1901, 62.

  • 14 Kamerstukken II 1899/1900, 31, 9, p. 47-51.

  • 15 UN Committee on the Rights of the Child, General Comment nr. 10, Children’s rights in juvenile justice, 25 April 2007, CRC/C/GC/10. (hierna: General Comment nr. 10), par. 90-91.

  • 16 Kamerstukken II 1913/14, 286, 3, p. 161-162.

  • 17 RSJ, Advies Het jeugdstrafproces: toekomstbestendig!, Den Haag 2011, p. 50.

  • 18 S.N. Kalidien (red.), Criminaliteit en Rechtshandhaving 2017, Den Haag: WODC 2018, p. 82 en 85.

  • 19 Vaststellingswet Boek 6 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (bijzondere regelingen), MvT, p. 17.

  • 20 General Comment nr. 10, par. 46.

  • 21 General Comment, nr. 10, par. 24-27.

  • 22 D. Abels e.a., Evaluatie Wet OM-afdoening, Amsterdam: WODC 2018, p. 5.

  • 23 D. Hazewinkel-Suringa, Inleiding tot de studie van het Nederlandse strafrecht, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1964, p. 339-340.

  • 24 Wet van 31 maart 1983, Stb. 1983, 153.

  • 25 Zie uitgebreider over deze achtergrond: Uit Beijerse 2019, p. 25, 27-28, 73-76, 86-87.

  • 26 Kalidien 2018, figuur 5.4 en 5.12.

  • 27 Kamerstukken II 2018/19, 29279, 278.

  • 28 D. Abels e.a., Evaluatie Wet OM-afdoening, Amsterdam: Rozenburg Publishers 2018.

  • 29 J. uit Beijerse, ‘Creativiteit en rechtsbescherming bij de buitengerechtelijke afdoening van jeugdstrafzaken’, in: C. Forder (red.), Rechterlijke creativiteit en de rechten van het kind, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2013, p. 81-94.

  • 30 Richtlijn (EU) 2016/800 van 11 mei 2016, PbEU 2016, L 132; M.A.H. Kempen & J. uit Beijerse, ‘De EU-Richtlijn procedurele waarborgen minderjarige verdachten en het Nederlandse jeugdstrafprocesrecht’, NtEr 2016/7, p. 230-236.

  • 31 J. uit Beijerse, ‘De vormgeving van procedurele waarborgen voor jeugdige verdachten in Nederland en de Europese Unie’, in: P.A.M. Verrest & S. Struijk (red.), De invloed van de Europese Unie op het strafrecht. Landelijke Strafrechtsdag 2016, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 61-71.

  • 32 RSJ, Advies Conceptwetsvoorstellen Wetboek van Strafvordering Boek 3 t/m Boek 6, Den Haag 2018.

  • 33 O.a. vragen van het lid M.M. van der Burg (PvdA) over de problemen bij de kinderrechtspraak, met name de positie en functie van kinderrechter, Kamerstukken II 1997/98, Aanhangsel van de Handelingen, 527, p. 1077-1078.

  • 34 S. Verberk & K. Fuhler, De positionering van de jeugdrechter, Den Haag: Raad voor de rechtspraak 2006.

  • 35 Zie ook: Uit Beijerse 2019, p. 34-36, 40-41.

  • 36 Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten Halt d.d. 30 mei 2018, Stcrt. 2018, 29497, par. 6.

  • 37 R. El Hassaini & Y. Taghi, ‘Een onredelijke termijn en dan? Redelijke termijn in jeugdstrafzaken nader beschouwd’, FJR 2013/93, p. 298-304.

  • 38 Conclusie A-G Spronken, ECLI:NL:PHR:2015:1295, bij HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2465.

  • 39 HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2465, NJ 2016/40.

  • 40 O.a. M.R. Bruning, ‘Redelijke termijn en de Hoge Raad: kinderrechtenverlies’, FJR 2015/53.

  • 41 R. van de Water, ‘De Hoge Raad heeft niets met kinderen (en het IVRK)’, Ivoren Toga 6 oktober 2015.

  • 42 General Comment nr.10, par.83.

  • 43 General Comment nr. 10, par. 64, 66-67, Uit Beijerse 2019, p. 161-163.

  • 44 Handelingen II 1899/1900, 82e vergadering, 12 juni 1900, p. 1707-1708.

  • 45 M.J.M. Verpalen, Het strafprocesrecht voor jeugdigen. Aantekeningen bij een bijzondere procedure, Arnhem: Gouda Quint 1991, p. 62-63 en H.J.J. Talsma, ‘In alle openheid? De openbare behandeling van jeugdstrafzaken in het licht van het Kinderrechtenverdrag’, FJR 2006, p. 15, 18.

  • 46 E.M. Mijnarends, ‘De betekenis van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind voor het Nederlandse jeugdstrafrecht’, FJR 2001, p. 306.

  • 47 Rb. Arnhem 3 september 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BX6328 (Facebookmoord 14-jarige).

  • 48 Uit Beijerse 2019, p. 176-179.

  • 49 J. uit Beijerse & R.S. Bouw, ‘Naar een duidelijk geregelde regierol van de rechter bij de toelating van slachtoffers en journalisten tot de besloten jeugdstrafzitting’, Strafblad 2015/38, p. 253-260.

Reageer

Tekst