Platform Modernisering Strafvordering

Pmsv

Tijdschriften

2018

  • M. Kessler, ‘Een digitaal strafproces in een nieuw Wetboek van Strafvordering’, DD 2018/15.
    Samenvatting: In de contourennota is vermeld dat een van de doelen van het beoogde nieuwe Wetboek van Strafvordering is een digitaal strafproces te faciliteren. (Algemeen)
  • G. Pesselse & J.H.B. Bemelmans, ‘De geldigheid van getuigenverzoeken’, DD 2017/61, afl. 8.
    Samenvatting: De verdediging in strafzaken heeft legio mogelijkheden een getuigenverzoek te doen. Toch zijn deze mogelijkheden geen garantie dat een getuigenverhoor zal plaatsvinden. Nog los van weigerachtigheid of onvindbaarheid van de getuige, bestaan diverse gronden voor de afwijzing van een getuigenverzoek (onaannemelijkheid verschijning, gezondheid getuige, ontbreken verdedigingsbelang, noodzakelijkheid enz.). Hoewel de wetgever in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering voornemens is het noodzaak- en verdedigingsbelangcriterium te integreren in een nieuw relevantiecriterium, zal de aandacht in rechtspraak en literatuur voor de beoordelingscriteria vermoedelijk niet verstommen. (Boek 4)
  • P.H.P.H.M.C. van Kempen, ‘Subsidiariteit, proportionaliteit en doelbinding als algemene beginselen: codificatie graag, maar meer volledig’, DD 20187/8.
    Samenvatting: Het subsidiariteitsbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel en het doelbindingsbeginsel (ook wel: beginsel van zuiverheid van oogmerk of verbod van détournement de pouvoir) behoren tot het geldende strafprocesrecht. (Algemeen)
  • V.E. van de Wetering, S.A. Eckhardt & S.R. Bakker, ‘De rol van het achterliggende rechtsgoed van strafbepalingen bij de beoordeling van de strafwaardigheid van gedrag’, DD 2018/13.
    Samenvatting:In diverse recente strafzaken zijn verweren gevoerd die uitsluiting van strafrechtelijke aansprakelijkheid beoogden. Getracht werd dat einddoel langs verschillende wegen en ingangen te bereiken, waarbij een rol was weggelegd voor het achterliggende te beschermen rechtsgoed. (Algemeen)

2017

  • W. de Zanger, ‘Voordeelsontneming na de modernisering van het Wetboek van Strafvordering – een eerste inventarisatie’, Blog van het Utrecht Centre for Accountability and Liability Law, 2017.
    In Boek 6 worden voorstellen gedaan om het proces ter ‘ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel’ te herzien. Hiermee worden enkele praktische knelpunten weggenomen en wordt gehoor gegeven aan kritiek in de literatuur. De ontnemingsmaatregel wordt hiermee sterker geïntegreerd in het reguliere strafproces. De voorstellen roepen bij de auteur wel vragen op over de uiteindelijke wettelijke regeling, die hij in dit blog bespreekt. Deze vraagpunten dienen naar mening van de auteur in de adviezen van de beroepsgroepen en later in het advies van de Raad van State en het parlementair debat te worden meegenomen. (Boek 6).
    Bron
  • E. Gritter, ‘Modernisering Strafvordering: verschoning en codificatie’, Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving 2017/2.
    Samenvatting: In het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering is voorgesteld de mogelijkheid van ‘doorbreking’ van het verschoningsrecht te codificeren. Deze bijdrage in de rubriek Trending Topics gaat in het licht van het themanummer over het professionele verschoningsrecht kort in op het nut van codificatie van (sterk casuïstisch gekleurde) regels uit de jurisprudentie, zowel met betrekking tot de ‘doorbreking’ als meer algemeen. Volgens de auteur dient uiteindelijk gewaakt te worden voor al te veel verfijning op het niveau van de formele wet. (Boek 2 en Boek 6)
  • B.J.G.L. Jaeger & N. van den Hoek, ‘Aanpassing van het verschoningsrecht’, Tijdschrift Formeel Belastingrecht 2017/04.
    Samenvatting: Het verschoningsrecht staat onder druk. In het wetsvoorstel Modernisering Wetboek van Strafvordering dat op 7 februari 2017 is gepubliceerd, stelt de minister van Veiligheid en Justitie voor de jurisprudentie omtrent het verschoningsrecht te codificeren. Zodoende moet advocaten duidelijker worden dat zij niet voor alle werkzaamheden verschoningsrecht hebben. Begin dit jaar, mede naar aanleiding van de Panama Papers, kondigde staatssecretaris van Financiën Wiebes aan nog dit jaar een voorstel te doen om het fiscale verschoningsrecht aan te passen. Op die aankondiging is door de NOvA fel gereageerd. De staatssecretaris zou het basisprincipe van het verschoningsrecht miskennen en zijn bezwaren jegens het verschoningsrecht in de huidige vorm niet goed motiveren. VDD, D66 en SP hebben op 22 februari 2017 de staatssecretaris om opheldering gevraagd over de noodzaak van een aangepast verschoningsrecht. In deze bijdrage wordt betoogd het verschoningrecht aan te passen naar een ruim op te vatten materieel criterium, zodat het belang dat met het verschoningsrecht is gediend ook in de toekomst blijft gewaarborgd.
  • Y. Buruma, ‘Modernisering of codificatie’, NJB 2017/359, afl. 7, p. 441.
    Samenvatting: We zijn terecht gekomen in een rechtsorde die gebaseerd is op wantrouwen en regulering. Het wordt tijd verschil te maken tussen recht en regels. Deze week gingen de 123 pagina’s conceptwettekst en 449 pagina’s conceptmemorie van toelichting van de Boeken 1 (strafvordering in het algemeen) en 2 (het opsporingsonderzoek) van het nieuwe Wetboek van Strafvordering in consultatie. Het is de indrukwekkende vrucht van veel denkwerk van ambtenaren, maar ook van tal van vergaderingen en overleg in werkgroepen van politiemensen, OM, advocaten, rechters, deskundigen en geleerden. (Algemeen)
  • B.F. Keulen, ‘De verdenkingscriteria in het nieuwe Wetboek van Strafvordering’, DD 2017/23.
    Samenvatting: In de contourennota over de modernisering van het Wetboek van Strafvordering is aangekondigd dat de wettelijke regeling van het voorbereidend onderzoek integraal wordt geherstructureerd. In februari zijn concepten van het Eerste en Tweede Boek van het nieuwe wetboek in consultatie gegeven. Daar kan uit worden afgeleid hoe de minister van Veiligheid en Justitie aan dit voornemen gestalte wil geven. (Boek 2).
  • J.S. Nan, ‘Kroniek van het straf(proces)recht’, NJB 2017/835.
    Samenvatting: Na een redelijk lange aanloop zijn vanuit het ministerie van Veiligheid en Justitie de eerste twee Boeken in het kader van de Modernisering Wetboek van Strafvordering ter consultatie bekendgemaakt. Hierop zal de nadruk van de Kroniek liggen, al kan deze bespreking niet meer zijn dan een impressie. De stukken zijn zo omvangrijk dat een grondige bespreking ervan zijn eigen tijdschrift zou rechtvaardigen. Op het gebied van nieuwe wetgeving was het op zich redelijk rustig, al heeft de komst van eenvoudig witwassen als nieuw delict de Hoge Raad ertoe bewogen al vóór de inwerkingtreding daarvan met een kort overzichtsarrest te komen. De Hoge Raad liet zich het afgelopen half jaar voorts onder meer uit over oplichting en poging. Vanuit Straatsburg nog twee interessante uitspraken, waarbij in één daarvan Nederland over de knie werd gelegd door het EHRM. (Algemeen)
  • G. Pesselse & J.H.B. Bemelmans, ‘De geldigheid van getuigenverzoeken’, DD 2017/61.
    Samenvatting: De verdediging in strafzaken heeft legio mogelijkheden een getuigenverzoek te doen. Toch zijn deze mogelijkheden geen garantie dat een getuigenverhoor zal plaatsvinden. Nog los van weigerachtigheid of onvindbaarheid van de getuige bestaan er diverse gronden voor de afwijzing van een getuigenverzoek (onaannemelijkheid verschijning, gezondheid getuige, ontbreken verdedigingsbelang, noodzakelijkheid enzovoort). Hoewel de wetgever in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering voornemens is het noodzaak- en verdedigingsbelangcriterium te integreren in een nieuw relevantiecriterium, zal de aandacht in rechtspraak en literatuur voor de beoordelingscriteria vermoedelijk niet verstommen. (ECLI:NL:HR:1999:AA3794, ECLI:NL:HR:2007:BA7658, ECLI:NL:HR:2011:BP2746, ECLI:NL:HR:2011:BO9834, ECLI:NL:HR:2015:902). (Boek 4)
  • G.C. Haverkate, ‘Oude barbiersfuncties in het nieuwe Wetboek van Strafvordering’, E&R 2017, nr. 4, p. 133.
    Samenvatting: Als het om nieuwe wetgeving gaat, is strafrechtelijk Nederland in zekere zin in de ban van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering. Het is een groot, meerjarig wetgevingstraject van de directie Wetgeving en Juridische Zaken van het ministerie van Veiligheid en Justitie, dat aan de zogenoemde ketenpartners ruimschoots de gelegenheid biedt om mee te denken en te praten over het nieuwe wetboek. Met betrekking tot de ontwerpen van de voorstellen voor de Boeken 1 en 2 van het nieuwe wetboek liep de termijn van de formele consultatie af op 30 juni 2017. (Algemeen)
  • P.A.M. Mevis, ‘Wat zou Yvo ervan vinden? Opmerkingen bij Modernisering strafvordering,’ Strafblad 2017/2 .
    Samenvatting: Voor modernisering van de strafvordering hoeft men de huidige regeling niet eerst als volstrekt achterhaald te diskwalificeren. Eerder moet per onderdeel met aandacht voor de historische ontwikkeling worden bezien wat en waarom er moet worden gewijzigd. En dat binnen een afgewogen en gezaghebbende codificatie. Tegen die achtergrond worden hierna verschillende onderwerpen bezien. De in de wet gesystematiseerde, ambtshalve verantwoordelijkheid van de rechter voor de ‘richtige’ uitkomst van de berechting van de verdachte blijkt nog steeds cruciaal. Dat uitgangspunt van het WvSv 1926 is geenszins achterhaald. (Algemeen)
  • D.A.G. van Toor, ‘De vergrendelde smartphone als object van strafvorderlijk onderzoek’, Computerrecht 2017/2.
    Samenvatting: Draagbare elektronische apparaten maken een belangrijk deel uit van het dagelijkse werk- en sociale leven, ook van criminelen. Inmiddels worden op smartphones en tablets niet alleen telecommunicatiedata maar ook andere gegevens, zoals foto’s, opgeslagen. Dit maakt een smartphone tot een object dat (in de toekomst) veelvuldig strafvorderlijk wordt onderzocht. In het moderniseringstraject voor het Wetboek van Strafvordering is daarom ook een doorzoekingsbevoegdheid voor elektronische apparaten voorgesteld. De meeste apparaten zijn echter vergrendeld met een pincode, wachtwoord of vingerafdruk en dus niet vrij toegankelijk. In deze bijdrage wordt de mogelijkheid onderzocht of de doorzoekingsbevoegdheid kan worden vergezeld van een ontgrendelingsbevel, met name in het licht van het recht op een eerlijk proces. (Boek 2)
  • E. F. Stamhuis & T.B. Trotman, ‘Modernisering Strafvordering: de bel voor de derde ronde’, Strafblad 2017/5.
    Samenvatting: Het project Modernisering Wetboek van Strafvordering heeft in de voorbije jaren al veel aandacht gekregen, ook in het Strafblad. Minister Opstelten sprak in juni 2014 nog de verwachting uit dat de Tweede Kamer de laatste bundels wetvoorstellen in het begin van 2016 zou kunnen verwachten. Dat – zo kunnen we constateren – is bij lange na niet gelukt. Maar het is indrukwekkend wat zo’n initiatief aan energie en productiviteit blijft opwekken. Op 14 september 2017 zag heel strafvorderlijk Nederland elkaar weer in Den Haag voor het derde congres in dit project. Met dit nummer wordt de bel geluid voor de derde en zeker niet laatste ronde. Sinds de start van het project in 2014 onder Opstelten wordt het departement inmiddels door de vierde minister geleid. Dit betekent geenszins dat de handdoek in de ring is gegooid. Er valt nog veel werk te verzetten. De redactie van Strafblad wil graag een bijdrage leveren aan een brede discussie over de keur van onderwerpen die op dit moment overdacht worden en de debatthema’s onder de aandacht brengen van alle geïnteresseerden die niet in Den Haag present konden zijn. Met dat doel is in dit vijfde nummer van het jaar plaatsgemaakt voor zo veel mogelijk korte bijdragen, die kennisgeven van de debatonderwerpen in de ‘break out’-sessies. Tevens is een beknopt impressionistisch verslag opgenomen van het plenaire gedeelte. Tineke Cleiren schreef een prachtige column waarmee het themadeel van dit nummer opent. Daarna wordt de loop van het congres gevolgd door eerst aandacht te geven aan het plenaire deel en daarna aan de ingekomen bijdragen over de gedachtewisseling in workshops. Die bijdragen zijn geschreven door collega’s die een rol op zich genomen hadden in de voorbereiding van de discussie of zijn van de hand van een deelnemer. (Algemeen)
  • P. van Berlo & D.S. Jol, ‘Verslag Derde Congres Modernisering Wetboek van Strafvordering’, Strafblad 2017/5.
    Samenvatting: De moderniseringsoperatie van het Wetboek van Strafvordering is absoluut geen sinecure, zo blijkt ook tijdens het derde Moderniseringscongres dat op 14 september 2017 plaatsvond in Den Haag. Onder de bezielende leiding van dagvoorzitter Astrid Joosten kwamen kernactoren uit de strafrechtsketen, het ministerie en de wetenschap op deze dag bij elkaar om knelpunten te bespreken en vergezichten met elkaar te delen. In deze bijdrage wordt verslag gedaan van het plenaire gedeelte en het georganiseerde Lagerhuisdebat.
  • P.H.P.H.M.C. van Kempen, ‘Kwetsbare verdachten’, Strafblad 2017/5.
    Samenvatting: Het is toe te juichen dat de wetgever aandacht heeft voor de positie van personen met een psychische stoornis of een verstandelijke dan wel fysieke beperking of een ziekte. Deze ontwikkeling zal bijdragen aan de eerlijkheid en kwaliteit van de strafprocedure tegen kwetsbare verdachten, een gegeven waar alle procespartijen belang bij hebben. Dit bleek ook uit de discussie tijdens de workshop. Hoe de in de Workshop geopperde ideeën zullen worden vormgegeven in de wet zal nog moeten blijken.
  • G. Knigge, ‘De modernisering van de strafvordering’, RM Themis 2017-6, p. 277.
    Samenvatting: De modernisering van de strafvordering begon ooit als een onderdeel van het ambitieuze programma Versterking Prestaties Strafrechtsketen (VPS). Inmiddels is het VPS-programma een stille dood gestorven. Dit themanummer is gewijd aan de eerste twee Boeken van het nieuwe wetboek zoals die in februari van dit jaar in formele consultatie zijn gegaan. Knigge introduceert het nummer door een kritische beschouwing van het moderniseringsprogramma, inclusief de aanloop en de bredere context ervan.
  • M. J. Borgers, ‘Het gemoderniseerde Wetboek van Strafvordering: beginselen en uitgangspunten’, RM Themis 2017-6, afl. 6, p. 279.
    Samenvatting: In deze bijdrage wordt allereerst geïnventariseerd welke beginselen en uitgangspunten blijkens de conceptwetsvoorstellen tot vaststelling van de Boeken 1 en 2 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering aan het gemoderniseerde strafprocesrecht ten grondslag liggen. Voorts wordt aan de hand van een tweetal van deze beginselen en uitgangspunten - het legaliteitsbeginsel en het ondervragingsrecht, als onderdeel van het recht op een eerlijk proces - stilgestaan bij de vraag in hoeverre de betekenis daarvan concreet zichtbaar wordt in voorschriften die zijn opgenomen in de conceptwetsvoorstellen. Het gaat er daarbij vooral om een beeld te krijgen van de concrete betekenis van de beginselen en uitgangspunten voor de inhoud van het gemoderniseerde wetboek. (Boek 1 en Boek 2)
  • T. Kooijmans, ‘Het Openbaar Ministerie en de vervolging in het nieuwe Wetboek van Strafvordering’, RM Themis 2017-6, afl. 6, p. 291.
    Samenvatting: In deze bijdrage staan het Openbaar Ministerie en de vervolging uit de voorgestelde moderniseringsoperatie centraal. Na de inleiding worden in paragraaf 2 de achtergronden van het huidige vervolgingsbegrip geschetst en wordt onderzocht wat daarvoor in de plaats komt in het nieuwe wetboek. In paragraaf 3 wordt nader ingegaan op de landelijke bevoegdheid van de officier van justitie waardoor de binding aan diens 'eigen' rechtbank in zekere zin wordt verbroken. In paragraaf 4 worden tot besluit enkele conclusies getrokken. (Boek 1 en Boek 2)
  • J.H. Crijns, ‘Taak en positie van de rechter-commissaris in het nieuwe Wetboek van Strafvordering’, RM Themis 2017-6, afl. 6, p. 303.
    Samenvatting: In deze bijdrage passeren de belangrijkste wijzigingen met betrekking tot de taak en de positie van de rechter-commissaris in het voorbereidend onderzoek in strafzaken de revue en worden deze op een aantal punten van waarderende dan wel kritische opmerkingen voorzien. (Boek 1 en Boek 2)
  • P.T.C. van Kampen, ‘Verdediging 2.0’, RM Themis 2017-6, afl. 6, p. 313.
    Samenvatting: De in de MvT's opgenomen toelichting op het beoogde resultaat van de thans gepubliceerde voorstellen voor Boek 1 en 2 rechtvaardigt, waar het de positie van de verdediging in het opsporingsonderzoek betreft, een aantal even simpele als fundamentele vragen: (1) Wat verandert er nu precies in het nieuwe wetboek in de (rechts)positie van de verdediging in het vooronderzoek? (2) Is (daarmee) de conclusie gerechtvaardigd dat het nieuwe, gemoderniseerde wetboek voor wat betreft het vooronderzoek inderdaad een meer 'contradictoire procesvorm' in zich draagt dan wel met zich brengt, mede gelet op de taken en bevoegdheden van de officier van justitie en rechter(-commissaris)? en (3) Wat betekent een (meer) contradictoire procesvorm vanuit die invalshoek eigenlijk? (Boek 1 en Boek 2)
  • J.B.H. Simmelink, ‘Normering van opsporingsbevoegdheden in het gemoderniseerde Wetboek van Strafvordering’, RM Themis 2017-6, afl. 6, p. 213.
    Samenvatting: In deze bijdrage staat de wijze van normering van de opsporingsbevoegdheden in het conceptwetsvoorstel voor Boek 2 centraal. Met het begrip 'normering' doelt de auteur op de systematiek van de wettelijke regeling van de opsporingsbevoegdheden en het geheel aan toepassingsvoorwaarden. Simmelink bespreekt de opsporingsbevoegdheden vanuit de bij de vormgeving van de regeling aangehouden systematiek en uitgangspunten. De nadruk ligt daarbij op de beoogde vereenvoudiging van de regeling van de toepassingsvoorwaarden, de regeling van de inbeslagneming van voorwerpen en gegevens en de beoogde vermindering van de werklast van politie en Openbaar Ministerie. (Boek 2)
  • F. Vellinga-Schootstra, ‘Inbeslagneming van voorwerpen en gegevens’, RM Themis 2017-6, afl. 6, p. 334.
    Samenvatting: De wetgever zag in het multiple karakter van digitale gegevens destijds een beletsel om gegevens voor inbeslagneming vatbaar te achten. Het is immers kenmerkend voor de inbeslagneming dat de beslagene de vrije beschikking over het in beslag genomene verliest. Bij 'beslag' op gegevens is dat meestal juist niet het geval: de betrokkene houdt de beschikking over de gegevens waarvan justitie in het belang van het onderzoek een kopie maakt. Daarom gebruikt de wetgever niet de term inbeslagneming van gegevens, maar vastlegging van gegevens. Auteur stelt in dit artikel de vraag of bij het nieuwe onderscheid tussen inbeslagname en vastlegging alles écht anders wordt, of dat er slechts sprake is van een geringe koerswijziging. Gaat het bovendien wel om een noodzakelijke ingreep? Is het bijvoorbeeld nodig om in de uitwerking van de gedachte dat ook gegevens vatbaar zijn voor inbeslagneming hier en daar onderscheid te blijven maken tussen (de wijze van inbeslagneming en de bevoegdheden tot) inbeslagneming van voorwerpen aan de ene en gegevens aan de andere kant? En zijn de voorgestelde bepalingen toekomstbestendig in een wereld waarin in sommige gevallen amper te bepalen is of er sprake is van een gegeven, een voorwerp of een zaak? (Boek 2)
  • L. Stevens, ‘Wijzigingen in de regeling van het voorarrest: wordt het beter, slechter of gewoon anders?’, RM Themis 2017-6, afl. 6, p. 344.
    Samenvatting: De praktijk van het voorarrest van de verdachte gaat veranderen, en wellicht niet zo'n klein beetje ook. Stevens bespreekt in dit artikel een aantal belangrijke wijzigingen rond voorlopige vrijheidsbeperking, voorlopige hechtenis, de rechtmatigheidstoets en mogelijke effecten van de veranderingen. (Boek 2)
  • Y. Buruma, ‘Noodzakelijke rechtswaarborg of nodeloze administratieve last’, Strafblad 2017-5, afl. 5, p. 58.
    Samenvatting: Hoe de afweging tussen noodzakelijke waarborg of nodeloze administratieve last in het nieuwe wetboek moet worden gemaakt, is een lastige vraag. Bij de beantwoording daarvan kunnen wetgevingsvraagstukken niet los worden gezien van organisatievraagstukken. Tijdens de debatten hierover bleek dat men moet oppassen met het toeschrijven van opvattingen aan onbekende anderen: de politie wil zich best laten controleren en de advocatuur kan best leven met minder papier bij de politie. (Boek 2)
  • M.M. Dolman, ‘Vrijspraken zijn geen veroordelingen’, Strafblad 2017-5, afl. 5, p. 62.
    Samenvatting: Het voornemen bestaat om bij de herinrichting van het bewijsrecht enerzijds de onderscheiden eisen van wettigheid en overtuiging te benadrukken, en anderzijds te bepalen dat de aanwezigheid van wettig bewijs de rechter niet verplicht tot bewezenverklaring. Dat suggereert dat de rechter die wettig bewijs vindt, bewezen verklaart - ook als hij niet van verdachtes schuld overtuigd is. Maar gaat de beoordeling van wettigheid vooraf aan vorming van de overtuiging? Prevaleert wettigheid boven overtuiging? En voorkomen de voorgenomen bepalingen 'onterechte veroordelingen'? (Boek 4)

2016

  • E. Luiging, ‘De rol van de strafrechter: van waarheidsvinder naar regisseur van de proceslogistiek’, Proces 2016/1.
    Samenvatting: Het lopende wetgevingsproject gericht op de Modernisering van het Wetboek van Strafvordering heeft verstrekkende gevolgen voor de organisatie van het strafrecht en dus consequenties voor de strafrechtspraktijk. Een grote implicatie is de veranderende rol van de strafrechter. Omdat de rechter van oudsher een belangrijke rol speelt bij waarheidsvinding en rechtsbescherming, roept dit de vraag op wat het wetgevingsproject voor deze rol betekent en of een volledige en evenwichtige waarheidsvinding en wettelijke bescherming voldoende zijn gewaarborgd. Dit artikel biedt een antwoord op deze vraag en biedt enkele aanbevelingen.
  • M. Kessler, ‘Wetgeving Contourennota modernisering Wetboek van Strafvordering’, Ars Aequi februari 2016.
    Samenvatting: In de rubriek Wetgeving van dit tijdschrift ligt het accent in het algemeen op bespreking van recent tot stand gekomen wetten. In deze bijdrage wordt bij uitzondering aandacht besteed aan voorgenomen wetgeving. Eind september 2015 heeft de minister van Veiligheid en Justitie een brief aan de Tweede Kamer gezonden waarin de hoofdlijnen van zijn plannen voor een nieuw, gemoderniseerd Wetboek van Strafvordering worden geschetst. Het eerste deel van de brief bevat de doelstelling en uitgangspunten van de voorgenomen modernisering (p. 1-28). Daarnaast wordt in dat deel ingegaan op het wetgevingsproces dat tot het nieuwe wetboek moet leiden. Het tweede deel van de brief bevat de zogenoemde contourennota waarin een overzicht wordt gegeven van de belangrijkste inhoudelijke wijzigingen (p. 30-110). Omdat de contouren van het nieuwe wetboek deels ook in het eerste deel van de brief terug zijn te vinden, wordt de brief (in beide onderdelen) in deze bijdrage gemakshalve aangeduid als ‘de contourennota’. In dit artikel wordt de inhoud van de plannen op hoofdlijnen beschreven. In paragraaf 2 komen de doelstellingen en uitgangspunten van de moderniseringsoperatie aan de orde. In paragraaf 3 wordt een korte schets op hoofdlijnen gegeven van de inhoudelijke wijzigingen die in de contourennota worden voorgesteld. Paragraaf 4 beschrijft het wetgevingsproces dat tot het nieuwe wetboek moet leiden.
  • J.J. Oerlemans, ‘Modernisering Strafvordering geldt niet voor de opsporing’, Computerrecht 2016/1.
    Samenvatting: Het project ‘Modernisering Strafvordering’ van het ministerie van Veiligheid en Justitie stelt zich tot doel het Wetboek van Strafvordering techniekonafhankelijk en toekomstbestendig te maken. Het aanpassen van het Wetboek van Strafvordering aan het nieuwe digitale tijdperk en het stellen van regels aan (digitale) opsporing krijgen evenwel vrijwel geen aandacht in het omvangrijke project. (Boek 2)
  • J. Nan, ‘Kroniek van het straf(proces)recht’, NJB 2016/740.
    Samenvatting: De inzet van de raadsman in de voorfase van het strafproces is voorlopig nog geen rustig bezit. Zoveel is wel duidelijk gelet op het rumoer van het afgelopen half jaar. In dit dossier is haast geboden, omdat het per saldo de verdachte is die niet het slachtoffer mag worden van een te zuinige uitleg en ?nanciering van het recht op verhoorbijstand op het politiebureau. Daarentegen lijkt het erop dat bij de voortgang van het project Modernisering Wetboek van Strafvordering van meerdere kanten wordt geadviseerd juist wat op de rem te gaan staan. De vaste Kamercommissie heeft het dossier inmiddels opgepakt en voor de minister is nu ook parlementair de tijd van onbezorgdheid voorbij. Overigens blijven er met het onderzoek naar de Teeven-deal, de ge?nancierde rechtsbijstand, eenvoudig witwassen en het gedoogbeleid van softdrugs wel meer hoofdpijndossiers open. (Algemeen)
  • M.J. Dubelaar & J.M. ten Voorde, ‘Toekomst voor de actieve zittingsrechter?’, E&R 2016-1, p. 4.
    Samenvatting: De zittingsrechter is een centrale figuur in het strafproces. Hij heeft een zelfstandige rol in het proces van waarheidsvinding en vervult daarbij op het onderzoek ter terechtzitting een actieve rol. Zijn bemoeienis strekt zich ook uit over het voorbereidend onderzoek in die gevallen waarin het onderzoek ter terechtzitting formeel zijn aanvang heeft genomen maar het opsporingsonderzoek feitelijk nog lopende is. Op dat moment kan hij reeds allerhande beslissingen nemen; niet alleen over het voortduren van de voorlopige hechtenis, maar ook over zaken die raken aan de inrichting van het onderzoek. In het kader van de lopende wetgevingsoperatie inzake de modernisering van het Wetboek van Strafvordering heeft de wetgever allerlei plannen ontvouwd die rechtstreeks of zijdelings van invloed zijn op de rol van de zittingsrechter. In dit artikel worden deze plannen in hun onderlinge samenhang bezien en bekeken wat ze betekenen voor de activiteit van de zittingsrechter en de omvang van zijn waarheidsvindende taak. Daarbij komt ook de fundamentele vraag aan de orde hoe actief die zittingsrechter nu eigenlijk is en zou moeten zijn. Wat betekent dat, een actieve zittingsrechter? (Boek 4)
  • V. Boelhouwers & J.S. Nan, ‘Wraking 2.0’, NJB 2016/685.
    Samenvatting: Het lage aantal strafrechtelijke wrakingen rechtvaardigt de aandacht daarvoor in het project Modernisering Wetboek van Strafvordering niet. Het onderwerp zou sowieso niet binnen dat project op de schop moeten worden genomen. Als er al wijzigingen in de wrakingsregeling moeten worden aangebracht, dient dat namelijk in harmonie met het civiele en het bestuursrecht te gebeuren. Omwille van de efficiëntie en rechtseenheid zou het instellen van één landelijke wrakingskamer kunnen worden overwogen die de wrakingsverzoeken vanuit alle rechtsgebieden voor haar rekening neemt. Naar buiten toe zal dat een objectievere indruk geven, terwijl het de sfeer binnen de rechterlijke macht goed zal doen, aangezien directe collega’s elkaar niet meer hoeven te beoordelen. (Boek 6)
  • T.B. Trotman, ‘Bijzondere procedures in de marge van het strafproces. Geen pantoffeldier, geen doet, geen kneus, maar wel een buitenbeen’, Strafblad 2016(3) 25.
    Samenvatting: In dit themanummer wordt aandacht geschonken aan een aantal bijzondere procedures, de buitenbeentjes van het strafproces. Veel van deze van de gebruikelijke strafvorderlijke regels afwijkende procedures zijn nu terug te vinden in het Vierde Boek betreffende ‘Eenige rechtsplegingen van bijzonderen aard’. Vorig jaar zijn al een paar afleveringen van Strafblad gewijd aan het thema ‘Modernisering Strafvordering’. In dit nummer komen onderwerpen aan bod die straks in het Wetboek van Strafvordering zullen worden geregeld in het nieuwe Boek 6: ‘Bijzondere procedures’. (Boek 6)
  • F. Ahlers, ‘Een recht op rechtsbijstand voor getuigen in het strafproces?’, Strafblad 2016(5) 56.
    Samenvatting: Het Wetboek van Strafvordering zal als het aan de minister van Veiligheid en Justitie ligt in de komende jaren ingrijpend worden veranderd. Doelstelling van de wijzigingen is te komen tot een toekomstbestendig, voor professionals en burgers toegankelijk en in de praktijk werkbaar Wetboek van Strafvordering dat bovendien voorziet in een evenwichtig stelsel van rechtswaarborgen. Een van de vele vragen die aan de orde worden gesteld in het project Modernisering Strafvordering is of getuigen in het strafproces een recht op rechtsbijstand zouden moeten hebben. (Boek 4)

2015

  • M.S. Groenhuijsen, ‘Het project “Modernisering Wetboek van Strafvordering” vergeleken met het onderzoeksproject “Strafvordering 2001”’, DD 2015/70, afl. 10.
    Samenvatting: Ieder land en ieder vakgebied heeft natuurlijk te maken met de vraag hoe de belangrijkste wetboeken op de hoogte van de tijd kunnen worden gehouden. We weten allemaal dat de traditionele wetboeken – die gaan over burgerlijk recht en over strafrecht – bijna overal erg oud zijn. In Nederland dateert het huidige Wetboek van Strafrecht uit 1886; het Wetboek van Strafvordering uit 1926. (Algemeen)
  • D.V.A. Brouwer, ‘Modernisering van het Wetboek van Strafvordering: poging tot een tussenbalans’, Strafblad 2017/15, afl. 1, p. 103.
    Samenvatting: De modernisering van het Wetboek van Strafvordering is behoorlijk op stoom gekomen. Tijd voor een tussenbalans. Ten opzichte van de eerste voorstellen lijkt de grootste gekkigheid wel verdampt – met als mogelijke uitzondering nog de regeling van het hoger beroep. Wat nog wel ontbreekt, is visie, met name op de rol van de verdediging. Daarvoor wordt in deze bijdrage een voorzet gedaan. (Algemeen)
  • S. Meijer, ‘De tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen’, DD 2015/71, afl. 10.
    Samenvatting: Een van de belangrijkste onderdelen van de modernisering en herstructurering van het huidige Wetboek van Strafvordering wordt gevormd door de herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging. Indien de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen als sluitstuk van het strafproces niet op orde is, hebben de daaraan voorafgaande fasen van opsporing, vervolging en berechting immers weinig zin. Het wetsvoorstel herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen voorziet in een algehele herziening van het huidige Boek 6 van het Wetboek van Strafvordering. (Boek 8)
  • J.M. Reijntjes, ‘De internationale rechtshulp in het vernieuwde wetboek van strafvordering’, DD 2015/73, afl. 10.
    Samenvatting: De voorgenomen herziening van het Wetboek van Strafvordering zal de internationale rechtshulp, voor zover die daar is geregeld, niet onberoerd laten. Het is zelfs zo dat dit onderwerp al in de eerste tranche van de herziening wordt meegenomen; de bedoeling is om het desbetreffende wetsvoorstel in februari 2016 in te dienen. Beoogd wordt om de rechtshulp, na herziening, over te brengen naar het in 2013 vrijwel geruisloos in het wetboek geschoven nieuwe vijfde boek. De wetgevingsoperatie zal uiteindelijk worden afgesloten met een nieuwe nummering, waarbij dit vijfde boek het zevende wordt. Auteur zal de voorgenomen wijziging bespreken aan de hand van het in circulatie gebrachte ‘consultatiestuk’, waarin een wettekst met memorie van toelichting wordt gepresenteerd. Maar eerst moet aandacht worden besteed aan wat niet lijkt te worden veranderd, en aan de positie die aan de rechtshulp wordt toegedacht binnen het wettelijke systeem. (Boek 7)
  • Th.A. de Roos, ‘Modernisering Wetboek van Strafvordering’, JutD 2015/35, afl. 6.
    Samenvatting: De onlangs afgetreden bewindsman minister van Veiligheid en Justitie Ivo Opstelten liet een voor het grote publiek weinig spectaculair maar daarom niet minder ambitieus project achter, de in 2014 gestarte operatie Modernisering Wetboek van Strafvordering. Voor de professionals in de strafrechtspleging is dit project van nauwelijks te overschatten belang, en het zal hen nog jaren bezighouden. Op 3 februari 2015 werd een reeds aangekondigde stap gezet in het proces: een concept-Contourennota Modernisering Wetboek van Strafvordering werd ter advisering aan de gebruikelijke adviesorganen gezonden (de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse Orde van Advocaten enzovoort). In die conceptnota wordt nog eens uiteengezet waarom het gaat: doel van de modernisering is te komen tot een toekomstbestendig, voor professionals en burgers toegankelijk en in de praktijk werkbaar wetboek dat voorziet in een evenwichtig stelsel van rechtswaarborgen. De voorgestelde wijzigingen moeten bijdragen aan een verbetering van de kwaliteit van de bestaande strafrechtspleging en samenhangen met de beleidsdoelstellingen van het programma Verbetering Prestaties Strafrechtsketen (VPS). (Algemeen)
  • Th.A. de Roos, ‘De contourennota modernisering strafvordering en het verschoningsrecht van advocaten’, JutD 2015/66, afl. 11.
    Samenvatting: In het vorige artikel onder deze rubriek ging auteur in op de inhoud van de Contourennota Modernisering Wetboek van Strafvordering die dit voorjaar door de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie ter advisering aan de gebruikelijke adviesorganen en -instanties is gezonden. De auteur gaat in op één aspect dat in die nota aan de orde wordt gesteld. In de moderniseringsoperatie van het Wetboek van Strafvordering (Sv) wordt – begrijpelijk en terecht – ook aandacht besteed aan het professioneel verschoningsrecht, een privilege voor beroepsgeheimhouders zoals medici, geestelijken, notarissen en last but not least advocaten. Artikel 218 Sv luidt: ‘Van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich ook verschoonen zij die uit hoofde van hun stand, hun beroep of hun ambt, tot geheimhouding verplicht zijn, doch alleen omtrent hetgeen hen als zoodanig is toevertrouwd’. (Boek 2)
  • J.S. Nan, ‘Kroniek van het straf(proces)recht’, NJB 2015/1777, afl. 35, ‘De staat van het recht’.
    Samenvatting: Op het eerste gezicht leek het een rustig half jaar. Maar met name in september is een aantal (beleids) kwesties in een stroomversnelling geraakt en kwam de minister van Veiligheid en Justitie in opspraak over de betrokkenheid van de overheidsinstanties bij de foto van Volkert van der G. Op het gebied van wetgeving is het nog even stilte voor de storm (in het kader van de Modernisering Wetboek van Strafvordering), maar de Hoge Raad heeft een groot aantal belangwekkende uitspraken gedaan (al dan niet in cassatie in belang der wet). Voor die rechtspraak is in deze kroniek de meeste aandacht. (Algemeen)
  • A.R. Veldt, ‘Het onderzoek ter terechtzitting en het proces-verbaal’, TREMA 2015, 5, p. 140.
    Samenvatting: In 2012 is het programma Verbetering Prestaties Strafrechtketen van start gegaan. Een van de belangrijkste maatregelen van het programma is de ingrijpende herziening van het Wetboek van Strafvordering. De in de komende jaren beoogde modernisering van het Wetboek van Strafvordering betreft onder meer zaken die zowel van invloed zijn op de procedure voorafgaande als tijdens het onderzoek ter terechtzitting, in eerste aanleg én in appèl. (Boek 1 t/m 3)
  • G.P.M. Mols & Th. A de Roos, ‘Modernisering – van ganzenveer en postkoets naar het digitale dossier, en alles wat daarmee samenhangt’, Strafblad 2015(2) 13.
    Samenvatting: De onlangs afgetreden minister van Veiligheid en Justitie Ivo Opstelten liet een voor het grote publiek weinig spectaculair maar daarom niet minder ambitieus project achter, de in 2014 gestarte operatie Modernisering Wetboek van Strafvordering. Voor de professionals in de strafrechtspleging is dit project van nauwelijks te overschatten belang, en het zal hen nog jaren bezighouden. Op 3 februari 2015 werd een reeds aangekondigde stap gezet in het proces: een concept-Contourennota modernisering Wetboek van Strafvordering werd ter advisering aan de gebruikelijke adviesorganen gezonden (de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse Orde van Advocaten enzovoort). In die conceptnota wordt nog eens uiteengezet waar het om gaat: doel van de modernisering is te komen tot een toekomstbestendig, voor professionals en burgers toegankelijk en in de praktijk werkbaar wetboek dat voorziet in een evenwichtig stelsel van rechtswaarborgen. De voorgestelde wijzigingen moeten bijdragen aan een verbetering van de kwaliteit van de bestaande strafrechtspleging en hangen samen met de beleidsdoelstellingen van het programma Verbetering Prestaties Strafrechtsketen (VPS). Onderdelen van het wetboek zouden volgens de oud-minister onvoldoende rekening houden met nieuwe technieken of onnodige en vermijdbare lasten veroorzaken. Als voorbeelden worden genoemd de impact van de digitalisering van de strafrechtspleging (die zoals ook bij andere overheidsdiensten en -sectoren het geval is moeizaam op gang komt) en de regelgeving die voortvloeit uit de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (infiltratie, telecommunicatietap en dergelijke). Daar komt bij dat het wetboek, dat sinds zijn invoering in 1926 talloze malen is gewijzigd, groot onderhoud behoeft. Dat wordt in de (straf)rechtsgeleerde literatuur ook onderkend. Zo sprak oud-president van de Hoge Raad Corstens in een toespraak op een congres over deze materie op 19 juni 2014 van ‘een fietsband met twintig plakkers die over een kasseienstrook hobbelt’, wat gemakkelijk tot valpartijen kan leiden. Toch is het opmerkelijk dat het nog maar kort geleden is dat een evenzeer ingrijpende operatie op dit terrein plaatsvond, het onderzoeksproject Strafvordering 2001. (Algemeen)
  • J.M. ten Voorde, ‘Wat Van der Steur kan leren van Fullers koning Rex’, Strafblad 2015(2) 15.
    Samenvatting: De modernisering van het Wetboek van Strafvordering raakt met de concept-Contourennota verder op stoom. De aangekondigde al met al forse wetswijzigingen roepen, bezien vanuit de eisen waaraan wetgeving in zijn algemeenheid heeft te voldoen, vragen op. Aan de hand van de acht gouden regels van Lon Fuller worden diverse in de concept-Contourennota besproken voorstellen en ideeën tegen het licht gehouden en gewogen. Verschillende voorstellen en ideeën verdienen verdere doordenking om de toets der kritiek van Fuller te kunnen doorstaan. (Algemeen)
  • G.P.M.F. Mols, ‘Modernisering van het voorarrest: op weg naar vrijheidsbeneming als ultieme maatregel’, Strafblad 2015(2) 16.
    Samenvatting: Een van de onderdelen van het door de minister van voorheen Justitie voorgenomen omvangrijke project van modernisering van het Wetboek van Strafvordering betreft het voorarrest. In de contourennota laat de minister weten dat hij geen reden ziet om het voorarrest zoals dat thans in het wetboek is geregeld ingrijpend te herzien. Daarmee mist de minister – zoals zal worden betoogd – een unieke kans om de praktijk van het voorarrest in overeenstemming te brengen met de opvattingen die over het voorarrest in Europa leven. Niet alleen mist de minister een unieke kans, hij laat tevens de mogelijkheid onbenut om in te gaan op kritiek op de huidige praktijk van de voorlopige hechtenis zoals die onlangs nog eens door een drietal Rotterdamse rechters onverbloemd in dit tijdschrift is verwoord. In deze bijdrage wordt de stelling betrokken dat er wél reden is om de wettelijke regeling van het voorarrest ingrijpend te wijzigen indien ook in ons land het voorarrest wordt gezien als een uiterste maatregel die pas aan de orde is wanneer andere minder vergaande oplossingen geen soelaas bieden voor het probleem waarmee de rechter en de samenleving zich geconfronteerd zien in het geval dat een burger vermoed wordt zich schuldig te hebben gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. (Boek 2)
  • A. de Lange & Tj.E. van der Spoel, Modernisering: de regierol van de rechter’, Strafblad 2015(3), 26.
    Samenvatting: Dit is het tweede deel van het drieluik dat Strafblad wijdt aan het thans in gang zijnde moderniseringsproces van het Wetboek van Strafvordering. Het eerste deel vormde de opmaat en het laatste deel zal gaan over de blinde vlekken in het moderniseringsproces ofwel de gemiste kansen. In deze aflevering komt de regierol van de rechter uitvoerig aan bod. (Boek 4)
  • W. Groos & R.P. den Otter, ‘De modernisering van het Wetboek van Strafvordering en de regie(rol) van de rechter’, Strafblad 2015(3) 27.
    Samenvatting: De auteurs zijn voor de Rechtspraak actief in het (pre)consultatietraject van de voorstellen van het ministerie van Veiligheid en Justitie in het kader van de Modernisering van het Wetboek van Strafvordering, waarin de ‘versterking van de regie van de rechter’ een belangrijk thema is. In een kritische beschouwing plaatsen zij kanttekeningen bij voorstellen, beschrijven zij randvoorwaarden voor die regie en doen zij suggesties voor een wettelijke regeling voor regie. (Boek 4)
  • B.F. Keulen, ‘Het slachtoffer, de modernisering van het Wetboek van Strafvordering en de rechter’, Strafblad 2015(3) 37.
    Samenvatting: Uit het concept van de Contourennota dat kort geleden in consultatie is gegeven valt af te leiden dat de minister van Veiligheid en Justitie geen aanleiding ziet om de positie van het slachtoffer in de context van dit project ‘opnieuw tegen het licht te houden’. Als reden daarvoor wordt opgegeven dat slachtoffers een sterkere positie in het strafproces hebben gekregen, en dat deze ontwikkeling nog niet is afgerond. Er zijn, zo geeft de minister aan, nog twee wetsvoorstellen in procedure: één dat ertoe strekt het spreekrecht verder uit te breiden en één ter implementatie van de slachtofferrichtlijn. (Boek 1)
  • C.P.M. Cleiren & P.H.P.H.M.C. van Kempen, ‘Blinde vlekken’, Strafblad 2015(4) 39.
    Samenvatting: Dit is het derde deel van het drieluik dat Strafblad wijdt aan het lopende moderniseringsproces van het Wetboek van Strafvordering. De consequenties van een zo grootse operatie zijn enorm. Dat geldt voor de wetgevingsambtenaren, voor alle actoren in de strafrechtpraktijk en voor de strafrechtswetenschappers. Maar de modernisering is vanzelfsprekend niet geïnitieerd om hen te dienen of hun leven intellectueel uitdagender te maken. Het uiteindelijke resultaat van de modernisering zal zijn waarde moeten ontlenen aan zijn vermogen om belangen van de samenleving als geheel te dienen, alsmede meer specifieke belangen van alle actoren: verdachten, slachtoffers en overige betrokkenen bij het strafrechtelijk onderzoek, het strafproces en de ten uitvoerlegging. Het verbaast dan ook niet dat de doelstelling van de moderniseringsoperatie meer dan één doel omvat. (Algemeen)
  • C.P.M. Cleiren, ‘Kansen zijn niet altijd vrijblijvend’, Strafblad 2015(4) 40.
    Samenvatting: De geformuleerde doelstelling die aan de basis ligt van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering brengt mee dat de wetgever keuzes moet maken. Kiezen betekent ook bewust beperken en al dan niet bewust buiten beschouwing laten. In deze bijdrage zal de aandacht vooral zijn gericht op de kansen die het moderniseringsproject met zich brengt en wel op die kansen die niet vrijblijvend zijn en die de wetgever daarom niet zonder meer kan of mag laten lopen. (Algemeen)
  • P.M. van Russen, ‘Moderne strafvordering? Enkele observaties van een advocaat.’, Strafblad 2015(4) 41.
    Samenvatting: De wetsvoorstellen die in het kader van de Modernisering van het Wetboek van Strafvordering tot stand moeten gaan komen, moeten bijdragen aan een verbetering van de prestaties van de ketenpartners en aan een verbetering van de strafrechtspleging in haar geheel. Het is niet duidelijk wat dat betekent. Nogal wat strafvorderlijke thema’s en onderwerpen die aandacht vragen van de wetgever en die moeiteloos in het kader van een dergelijk verbeterprogramma aan de orde zouden kunnen komen, blijven in de Contourennota onbesproken. (Algemeen)
  • J.B. Terpstra & R. Salet, ‘Modernisering van strafvordering en de politie. Enkele kanttekeningen en blinde vlekken’, Strafblad 2015(4) 42.
    Samenvatting: In 2014 kondigt de toenmalige minister van Veiligheid & Justitie aan het Wetboek van Strafvordering te willen moderniseren. Het doel van deze modernisering wordt in de zogenoemde Contourennota van 3 februari 2015 omschreven als een ‘toekomstbestendig, voor professionals en burgers toegankelijk en in de praktijk werkbaar wetboek dat voorziet in een evenwichtig stelsel van rechtswaarborgen’. (Algemeen)
  • F.P. Ölçer, ‘Modernisering van de bijzondere opsporing. Van BOB naar H(eimelijke)OB’, Strafblad 2015(4) 43.
    Samenvatting: In het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering is ook de regeling van de bijzondere opsporing als thema opgepakt. In deze bijdrage worden opvallende aspecten van de herzieningsvoorstellen voor de nieuwe ‘heimelijke opsporing’ in de ter zake doende discussiestukken besproken. Bij verschillende voorstellen wordt gewezen op de noodzaak gedegen onderzoek te doen naar implicaties van herzieningen, alvorens over te gaan tot verwijdering van in de huidige regeling, met bijzondere kenmerken van de bijzondere opsporing samenhangende differentiatie. (Boek 2)

2014

  • B.F. Keulen, ‘Wetboek op stelten - Over de modernisering van het Wetboek van Strafvordering’, RM Themis 2014-5, afl. 5, p. 211.
    Samenvatting: Als het aan minister Opstelten ligt, heeft ons huidige Wetboek van Strafvordering zijn langste tijd gehad. Het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft zo'n vijftien discussiestukken gemaakt, die op 19 juni 2014 tijdens een congres in Amersfoort zijn besproken. In dit artikel wordt de inhoud van de discussiestukken op hoofdlijnen geschetst en onderneemt de auteur een poging om een overzicht te geven van de totale omvang van de herzieningsoperatie. (Algemeen)
  • D.V.A. Brouwer, ‘Blinde vlekken in de herziening van het Wetboek van Strafvordering’, NJB 2014/2057, afl. 40.
    Samenvatting: Het Wetboek van Strafvordering wordt herzien. Niet uit principiële, rechtsstatelijke, mensenrechtelijke of ideologische motieven, maar als ‘voorwaardenscheppende maatregel’ ter verbetering van de ‘prestaties van de strafrechtsketen’. Het gaat daarbij niet om de kwalitatieve, maar uitsluitend om de kwantitatieve prestaties van de keten. Logistiek, doorloopsnelheid, hoeveelheid onderhanden werk, zittings- en productiecapaciteit, output – de taal is die van een productiemanager van een draadnagelfabriek. Het moge duidelijk zijn dat van een wetgevingsherziening die onder dit gesternte tot stand komt slechts een verdere reductie van de ruimte voor de verdediging kan worden verwacht – met alle mogelijke gevolgen voor de inhoudelijke kwaliteit van de prestaties van de keten van dien. Het zou té ambitieus zijn om alle opmerkelijke blinde vlekken in de voorstellen te bespreken of aan te stippen. Volstaan wordt met één uitgewerkt voorbeeld. Dat voorbeeld betreft de normering – of beter: het gebrek daaraan – van het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris. (Boek 2)
  • W. Groos, ‘Vrouwe Justitia en de modernisering van het Wetboek van Strafvordering: wel een blinddoek, maar niet blind’, NJB 2014/2267, afl. 44/45.
    Samenvatting: In het artikel ‘Blinde vlekken in de herziening van het Wetboek van Strafvordering’, NJB 2014/2057, afl. 40 bespreekt Dian Brouwer de modernisering van het Wetboek van Strafvordering. Deze zou vooral gericht zijn op het vergroten van de kwantitatieve prestaties. Wilma Groos bestrijdt deze gedachte: het gaat om modernisering en kwaliteitsverbetering met als doel een toekomstgerichte herinrichting van de procesvoering. Zij vindt het ook jammer dat Brouwer kritiek heeft op het feit dat de rechterlijke macht bij de herziening haar onafhankelijkheid dreigt te verliezen. (Algemeen)
  • J. Leliveld, ‘Artikel 1 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering’, NJB 2014/1419, afl. 28, p. 1929-1930.
    Samenvatting: Modernisering van het Wetboek van Strafvordering is aanstaande. Een prachtige kans, niets te vroeg ook, om het wetboek up-to-date te krijgen. Om wensen, dromen zo u wilt, te realiseren en het wetboek bestendig te maken voor de komende decennia. Minister Opstelten is er met zijn toespraak bij het congres Modernisering Wetboek van Strafvordering al in een vroeg stadium in geslaagd om de betrokkenen bij die modernisering op scherp te zetten. Zijn toespraak spitste zich toe op het eerste artikel van het huidige wetboek: Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien. (Algemeen)
  • G.C. Haverkate. ‘Modernisering. Ook van het begrip “verdachte”?’, Strafblad 2014(4) 48.
    Samenvatting: Door middel van een congres, gehouden op 19 juni 2014 in Amersfoort, heeft de minister van Veiligheid en Justitie brede bekendheid gegeven aan zijn ambitieuze voornemen om het Wetboek van Strafvordering te moderniseren. Heel strafrechtelijk Nederland was er aanwezig. Eerst kon in een plenaire sessie onder meer geluisterd worden naar toespraken van de minister en van de president van de Hoge Raad. Nadien ging het congres in werkgroepen uiteen om te debatteren over belangrijke thema's die door de afdeling Wetgeving van het departement waren voorbewerkt in zogenoemde discussiestukken. (Algemeen)
  • J.M.A. van Atteveld, ‘Waarheidsvinding en regievoering in het strafrecht. Naar een nieuwe verhouding tussen de R-C, raadkamer en de strafkamer’, Strafblad 2014(6) 76.
    Samenvatting: Geluk voor een strafrechter is een zaak te krijgen waarbij de officier van justitie zelf betrokken is en daadwerkelijk sturing geeft aan het opsporingsonderzoek, en waarbij een advocaat actief in de zaak optreedt en de verdedigingspositie duidelijk bepaalt, dit alles onder toezicht en regievoering van een R-C. (Boek 2)

Boeken

Dit onderdeel volgt.